ECLI:NL:GHSGR:2008:BE8905

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
105.011.164-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Husson
  • Pannekoek-Dubois
  • Mertens-de Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:81 BWArt. 822 lid 1 sub e Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens verlies werking beschikking huishoudgeld door voorlopige voorzieningen

De man kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin hij verplicht werd huishoudgeld te betalen aan de vrouw. Hij stelde dat hij het teveel betaalde bedrag niet zou terugvorderen over de periode september 2006 tot maart 2007. De rechtbank had later bij voorlopige voorzieningen bepaald dat de man vanaf maart 2007 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud moest betalen, waarmee de eerdere huishoudgeldbeschikking zou komen te vervallen.

Het hof oordeelde dat het niet duidelijk is wanneer een beschikking over huishoudgeld eindigt, maar dat het duidelijk moest zijn dat de beschikking niet naast een voorlopige voorziening kan voortbestaan. De regeling van artikel 822 Rv Pro ziet op levensonderhoud tijdens de echtscheidingsprocedure en vervangt de eerdere beschikking. De man had geen belang meer bij het hoger beroep omdat de eerdere beschikking haar werking had verloren.

Daarom verklaarde het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De rechtbank had terecht overwogen dat de beschikking over huishoudgeld haar werking verloor door de latere voorlopige voorziening. De procedure werd daarmee beëindigd.

Uitkomst: Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat de eerdere beschikking over huishoudgeld haar werking verloor door een latere voorlopige voorziening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 6 augustus 2008
Zaaknummer : 105.011.164/01
Rekestnummer : 588-R-07
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 06-2381
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur: voorheen mr. W. Heemskerk, thans mr. L.M. Bruins,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. W.B. Teunis.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 1 mei 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 februari 2007 van de rechtbank Rotterdam.
De vrouw heeft op 14 juni 2007 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 12 juni, 25 juni, 27 december 2007 en 6 juni 2008 aanvullende stukken ingekomen.
Op 26 juni 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. W.H. Benard en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. F.W. Verweij. Partijen – de vrouw met bemiddeling van een tolk - hebben het woord gevoerd, de raadsman van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitaantekeningen.
ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 september 2006 een bedrag aan huishoudgeld aan de vrouw zal verstrekken van € 900,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen. De man heeft op 22 januari 2007 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank te Rotterdam. Op 21 februari 2007 heeft de man een (aanvullend) verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend, inhoudende dat in plaats van huishoudgeld, alimentatie wordt vastgesteld. Bij beschikking van 13 maart 2007 heeft de rechtbank te Rotterdam bepaald dat de man met ingang van 13 maart 2007 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 400,- per maand. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, dat de (thans bestreden) beschikking met betrekking tot het huishoudgeld niet langer in stand kan blijven en dat de voorlopige voorziening in de plaats wordt gesteld van het bij de bestreden beschikking opgelegde huishoudgeld.
2. De man heeft in hoger beroep gesteld, dat, mocht de uitkomst van deze procedure zo zijn dat de vrouw ten onrechte huishoudgeld heeft ontvangen of dat er een te hoog bedrag is vastgesteld, hij dat niet zal terugeisen over de reeds betaalde maanden september 2006 tot 13 maart 2007.
De vrouw heeft de stelling van de man dat hij over deze periode aan de bestreden beschikking heeft voldaan niet bestreden.
3. Het hof overweegt als volgt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof niet ingaan op de vraag of de bestreden beschikking voldeed aan de wettelijke maatstaven; de man heeft bij die beoordeling, gezien het door hem ingenomen standpunt, immers geen belang. Het hof stelt vast dat partijen verdeeld houdt het antwoord op de vraag of en in hoeverre door de beschikking van 13 maart 2007, houdende voorlopige voorzieningen, de bestreden beschikking haar rechtskracht heeft verloren. De vrouw stelt, dat de rechtbank in de beschikking van 13 maart 2007 niet kon en mocht overwegen, dat de bestreden beschikking haar werking verloor.
4. Het hof is van oordeel, dat aan de vrouw kan worden toegegeven, dat niet in alle gevallen geheel duidelijk uit de wet blijkt wanneer een beschikking houdende toewijzing van huishoudgeld tot een einde komt. De vrouw, althans haar raadsman, had evenwel moeten en kunnen begrijpen, dat deze beschikking niet zijn werking kan behouden, naast een beschikking ingevolge artikel 822 Rv Pro, waarbij een voorlopige alimentatie is bepaald in het kader van een echtscheidingprocedure. Door in het kader van de echtscheiding een verzoek houdende voorlopige voorzieningen in te dienen streefde de man ernaar om zijn bijdrage, uitgaande van die nieuwe situatie, opnieuw te laten vaststellen. In zoverre kan de regeling van artikel 822 Rv Pro als uitwerking worden gezien van art. 1:81 BW Pro, waarbij artikel 822 Rv Pro een regeling geeft betreffende het levensonderhoud specifiek gedurende de echtscheidingprocedure. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest, dat de man gehouden is om naast de veroordeling op grond van de verzochte voorlopige voorziening, de bestreden beschikking te blijven nakomen, zodat het er voor gehouden moet worden dat de bestreden beschikking haar werking heeft verloren op het moment van in werking treden van de beschikking voorlopige voorzieningen.
5. De conclusie van het bovenstaande is, dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen, dat de bestreden beschikking haar werking door de latere beschikking houdende voorlopige voorzieningen haar werking heeft verloren. Het appel is derhalve vergeefs, nu de man daarbij geen belang had. De man zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Pannekoek-Dubois en Mertens- de Jong, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2008 .