ECLI:NL:GHSGR:2008:BF7644
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Raadkamer
- J. Silvis
- H.D.W. Klein Breteler
- M. Moussault
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag op onroerende zaken wegens onvoldoende bewijs van kwader trouw eigendom
In deze zaak werd conservatoir beslag gelegd op twee onroerende zaken die op naam van klaagster [A. BV.] stonden, in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar overtreding van de Opiumwet en witwassen. Klaagster betwistte dat zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de panden afkomstig waren van enig misdrijf en stelde dat zij eigenaar was volgens het burgerlijk recht.
Het hof onderzocht of het beslag terecht was gelegd op grond van artikel 94a lid 3 Wetboek van Strafvordering, dat vereist dat het goed te kwader trouw aan een derde moet zijn toegekomen. De advocaat-generaal stelde dat de panden feitelijk toebehoorden aan [Y] en dat het beslag daarom terecht was.
Het hof oordeelde echter dat niet met voldoende waarschijnlijkheid kon worden vastgesteld dat [A. BV.] de panden in de periode van het beslag bewust heeft behouden met wetenschap of vermoeden van criminele herkomst. Ook kon niet worden bewezen dat de panden te kwader trouw waren toegekomen aan klaagster. Daarom voldeed het beslag niet aan de wettelijke vereisten en werd het opgeheven.
De beslissing werd genomen na een uitgebreide procedure, waaronder een eerdere vernietiging door de Hoge Raad en behandeling door de meervoudige raadkamer van het hof. Het vonnis bevestigt de strenge toetsing die geldt bij beslaglegging op eigendomsrechten van derden.
Uitkomst: Het hof heeft het conservatoir beslag op de onroerende zaken opgeheven wegens onvoldoende bewijs van kwader trouw eigendom.