ECLI:NL:GHSGR:2008:BF9947
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- B.A. Stoker-Klein
- J.W. Klein Wolterink
- M. Moussault
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid gerechtshof bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke ISD-maatregel
In deze zaak is een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd aan de veroordeelde door het gerechtshof in hoger beroep, nadat de rechtbank Dordrecht de maatregel onvoorwaardelijk had opgelegd. Het openbaar ministerie heeft een vordering tot tenuitvoerlegging van deze maatregel ingediend bij het hof, stellende dat de veroordeelde zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden.
Het hof heeft de bevoegdheid tot kennisneming van deze vordering onderzocht aan de hand van de relevante wetsartikelen uit het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht. Artikel 509z lid 2 Sv bepaalt dat uitsluitend de rechtbank die in eerste aanleg de maatregel heeft opgelegd bevoegd is tot kennisneming van de vordering tot tenuitvoerlegging. Omdat de maatregel in hoger beroep voorwaardelijk is opgelegd, biedt de wet geen expliciete regeling voor de bevoegdheid in deze situatie.
Het hof concludeert dat aansluiting moet worden gezocht bij de regeling voor tenuitvoerlegging van de TBS-maatregel, waarbij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf bevoegd is. Daarom verklaart het hof zich niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel en verwijst het de zaak terug naar de rechtbank.
De beschikking is gewezen door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof 's-Gravenhage op 30 september 2008 en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart zich niet bevoegd tot kennisneming van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel.