ECLI:NL:GHSGR:2008:BG5149
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- S.K. Welbedacht
- C.P.E.M. Fonteijn- Van der Meulen
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na afpersing
In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof 's-Gravenhage het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €1.074.740. De zaak betreft afpersing gepleegd door de veroordeelde en anderen, waarbij een bedrag van circa vier miljoen gulden werd afgeperst en via diverse rekeningen werd beheerd.
Het hof baseert zijn oordeel op verklaringen van getuigen, waaronder II en VIII, en diverse processen-verbaal, waaronder een gedetailleerde beschrijving van geldstromen (bijlage N). Uit het bewijs blijkt dat de veroordeelde feitelijke zeggenschap had over een substantieel deel van het afgeperste geld, ondanks dat het niet steeds direct op zijn naam stond.
De rechtbank had eerder een hoger bedrag vastgesteld, maar het hof corrigeert dit naar beneden op basis van een nauwkeurige analyse van de geldstromen en de verdeling van het voordeel tussen de betrokkenen. Tevens wordt een bedrag van €200.000 als wederrechtelijk verkregen voordeel uit een andere afpersing aan de veroordeelde toegerekend.
Het hof legt de verplichting op aan de veroordeelde om het vastgestelde bedrag aan de Staat te betalen, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Verzoeken tot het horen van getuigen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De uitspraak werd gedaan op 20 oktober 2008 door een meervoudige kamer van het hof, waarbij het vonnis van 29 mei 2007 werd vernietigd en opnieuw recht werd gedaan.
Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.074.740 en legt de verplichting tot betaling aan de Staat op.