ECLI:NL:GHSGR:2008:BG6077

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2200313106
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.J. Wurzer
  • D. Jalink
  • F.C.V. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs medeplegen en schieten

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het primair ten laste gelegde feit van het lossen van dodelijke schoten en subsidiair medeplegen daarvan. In eerste aanleg werd verdachte veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf voor het primair ten laste gelegde feit, terwijl hij werd vrijgesproken van het subsidiaire feit.

Het hof heeft het hoger beroep behandeld na meerdere zittingen en heeft de vordering van de advocaat-generaal tot veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest bestudeerd. Na zorgvuldige beoordeling van het bewijs is het hof tot het oordeel gekomen dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zelf de dodelijke schoten heeft gelost.

Daarnaast is onvoldoende vastgesteld dat verdachte en de schutter een zodanige samenwerking hadden dat sprake was van medeplegen, noch dat verdachte opzet had om medeplichtig te zijn aan het misdrijf. Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank voor zover het betrekking heeft op deze feiten en spreekt verdachte vrij.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven. De vrijspraak betreft zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. De overige vrijspraak in eerste aanleg blijft ongewijzigd.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van medeplegen en het lossen van dodelijke schoten.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003131-06
Parketnummer: 10-700184-05
Datum uitspraak: 4 december 2008 (bij vervroeging)
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te \ (Nederlandse Antillen) op \1984,
adres: \.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 maart 2008, 26 mei 2008, 8 september 2008 en 27 november 2008.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van voorarrest.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vorderingen van de officier van justitie gewijzigd.
Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest.
Voorts zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg onder feit 2 primair, subsidiair en meer subsidiair gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder
1 primair en subsidiair is tenlastegelegd.
Het hof overweegt hierbij met name als volgt.
Niet bewezen is dat het verdachte zelf is geweest die de dodelijke schoten op [slachtoffer] heeft gelost. Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat tussen de schutter en verdachte een zodanige samenwerking heeft bestaan dat van medeplegen sprake zou zijn, noch dat verdachtes opzet erop gericht was om aan het misdrijf medeplichtig te zijn.
De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. D. Jalink en mr. F.C.V. de Groot, in bijzijn van de griffier
R. Luijken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 december 2008.
Mr. F.C.V. de Groot is buiten staat dit arrest te ondertekenen.