ECLI:NL:GHSGR:2008:BG8802

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK-07/00639
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 AWIRArt. 23 Uitvoeringsregeling AWIR 1994Art. 8:75 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van vermindering voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2003

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2003 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van €1.400.000. De Inspecteur handhaafde deze aanslag bij uitspraak op bezwaar, maar belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van €38.118.

De Inspecteur ging in hoger beroep bij het Hof, terwijl belanghebbende incidenteel hoger beroep instelde. Het geschil betrof de juiste hoogte van de heffingsmaatstaf waarop de voorlopige aanslag moest worden gebaseerd. Het Hof stelde vast dat de voorlopige aanslag niet hoger mag zijn dan de heffingsmaatstaf van de definitieve aanslag, conform artikel 13, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 23 van Pro de Uitvoeringsregeling.

Na beoordeling van de standpunten en stukken bevestigde het Hof de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelde het Hof de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en legde griffierecht op aan de Staat. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende werd verworpen. De uitspraak werd op 23 december 2008 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het Hof bevestigt de vermindering van de voorlopige aanslag tot de heffingsmaatstaf van de definitieve aanslag en wijst het hoger beroep van de Inspecteur af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE
Sector belasting
Nummer BK-07/00639
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 23 december 2008
op het hoger beroep van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 november 2007, nr. AWB 06/2372, betreffende na te noemen aan X te Z opgelegde aanslag.
Aanslag, bezwaar en uitspraak op het bezwaar
1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.400.000.
1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 februari 2006 de aanslag gehandhaafd.
Loop van het geding
2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 november 2007 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.118.
2.2. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord.
2.3. Belanghebbende heeft een nader stuk, met bijlage, gedagtekend 23 september 2008 aan het Hof gezonden.
Vaststaande feiten
3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde merkt het Hof hetgeen in de uitspraak van de rechtbank onder "2. Feiten" is vermeld, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, als vaststaand aan.
Omschrijving geschil en standpunten van partijen
4.1. In hoger beroep is in geschil is of de Inspecteur zich in zijn primaire en subsidiaire stellingname terecht op het standpunt stelt dat het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning ad € 38.118 moet worden verhoogd tot op € 96.618 en dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen moet worden gesteld op € 157.273, gebaseerd op de volgende correcties:
I. belastbaar inkomen uit werk en woning:
a. bij: huurinkomsten [object 1] € 15.000;
b. bij: huurinkomsten [object 2] € 1.500;
c. bij: huurinkomsten [object 3] € 42.000;
II. belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang:
f. bij: onttrekkingen Y € 157.273.
4.2. Voorts is, indien het Hof het vorenvermelde standpunt van de Inspecteur niet volgt, in geschil of het meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur dat de aanslag moet worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 546.618 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil, juist is.
4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat voormelde correcties terecht en tot het juiste bedrag zijn aangebracht, terwijl belanghebbende zulks bestrijdt.
4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.
Conclusies van partijen
5.1. De Inspecteur concludeert primair en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 96.618 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op € 157.273 en meer subsidiair op vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 546.618.
5.2. Belanghebbende concludeert tot verwerping van het principale hoger beroep.
5.3. Het incidentele hoger beroep strekt tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding. De Inspecteur concludeert tot verwerping hiervan.
Beoordeling van het hoger beroep
6.1. Het Hof heeft heden uitspraak gedaan op het hoger beroep van de Inspecteur inzake de aan belanghebbende opgelegde definitieve aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 (BK-07/00640). In die uitspraak heeft het Hof de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
6.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 23 van Pro de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 kan een voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de definitieve aanslag, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. Het geschil tussen partijen omtrent de hoogte van de voorlopige aanslag heeft uitsluitend betrekking op de hoogte van de heffingsmaatstaf. Het vorenstaande brengt voor het onderhavige geval mee dat de voorlopige aanslag moet worden verminderd tot een aanslag, berekend naar een heffingsmaatstaf die niet hoger is dan de heffingsmaatstaf waarnaar de definitieve aanslag is opgelegd.
6.3. Op grond van het vorenoverwogene faalt het principale hoger beroep.
Proceskosten en griffierecht
7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, welke kosten belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaak met het nummer BK-07/00640 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor deze twee zaken tezamen vast op € 1.288 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten à € 322 x 2 (gewicht van de zaak) x 1 (samenhang)), waarvan te dezen de helft, derhalve € 644 in aanmerking wordt genomen. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Aangezien te dezen geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, verwerpt het Hof het incidentele hoger beroep van belanghebbende.
7.2. Omdat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Staat wegens het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 428.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,
- gelast de griffier ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht te heffen van € 428 van de Staat.
Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. Savelbergh en H.J. van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 23 december 2008 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.