ECLI:NL:GHSGR:2008:BH1024
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Kamminga
- Mos-Verstraten
- Van der Kuijl
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid partner in hoger beroep tegen vervangende erkenning minderjarige
In deze zaak stond de vraag centraal of de partner van de moeder als belanghebbende kon worden aangemerkt in het hoger beroep tegen een vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarige door de vader. De rechtbank Rotterdam had eerder aan de vader deze vervangende toestemming verleend.
De moeder en haar partner waren in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking. De vader voerde verweer en verzocht de partner van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof oordeelde dat de partner van de moeder geen rechtstreeks belang had bij het geschil tussen de moeder en de vader, zoals bedoeld in artikel 798 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De omstandigheid dat de moeder de partner toestemming had gegeven om de minderjarige te erkennen, veranderde hieraan niets. Daarom werd de partner niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Het hof hield verdere beslissing aan en bekrachtigde daarmee impliciet de bestreden beschikking. De bijzondere curator was niet aanwezig bij de zitting, maar had een afwezigheidsverklaring ingediend.
Uitkomst: De partner van de moeder is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens gebrek aan belang.