ECLI:NL:GHSGR:2009:BH9279

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
25 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
105.012.591/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Mink
  • A. van den Wildenberg
  • H. Hulsebosch
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen ouders na wijziging wetgeving

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage op 25 maart 2009 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind. De vader, verzoeker in hoger beroep, was in beroep gegaan tegen een eerdere beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 oktober 2007, waarin was bepaald dat het kind één weekend per maand bij hem zou zijn. De vader stelde dat deze regeling onvoldoende was om een goede relatie met zijn kind op te bouwen en vroeg het hof om de omgangsregeling te herzien.

De vrouw, verweerster in hoger beroep, heeft geen verweerschrift ingediend en verzocht om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 maart 2009 was de vrouw aanwezig, bijgestaan door een andere advocaat, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming niet verscheen. Het hof heeft de feiten vastgesteld zoals deze door de rechtbank waren vastgesteld, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen was gericht.

Het hof heeft overwogen dat op 1 maart 2009 de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking is getreden, wat invloed heeft op de terminologie rondom omgangsregelingen. Het hof heeft de verzoeken van de vader in overweging genomen en geconcludeerd dat het in het belang van het kind is om de omgangsregeling uit te breiden. De nieuwe regeling houdt in dat het kind niet alleen één weekend per maand bij de vader is, maar ook één zondag per maand en één dag per week, waarbij de vader het kind naar de peuterspeelzaal brengt en weer ophaalt.

De beslissing van het hof houdt in dat de eerdere beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en dat de nieuwe omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, wat gebruikelijk is in familierechtelijke zaken. De uitspraak benadrukt het belang van de relatie tussen de vader en het kind en de noodzaak van een adequate omgangsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 25 maart 2009
Zaaknummer : 105.012.591.01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-622
[de man],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.P.C.M. van Es,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. de Bluts.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 31 januari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 31 oktober 2007.
Van de zijde van de man is bij het hof op 28 april 2008 een aanvullend stuk ingekomen.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
Op 12 maart 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. C.S. Ganga, waarnemend voor mr. De Bluts, en de advocaat van de man. De Raad voor de Kinderbescherming is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de [de minderjarige] bij de man zal zijn met ingang van zaterdag 15 december 2007 gedurende één weekend per maand van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur. Deze beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. Op 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. Deze wet heeft directe werking. In deze wet is, in geschillen waarbij de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, de terminologie gewijzigd, in die zin dat de rechter in plaats van een regeling inzake de omgang een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan vaststellen, welke regeling onder andere een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken kan omvatten. Hoewel het hof in de hierna volgende overwegingen de oude terminologie zal hanteren, wijst het hof partijen erop dat in plaats daarvan dient te worden gelezen: een verdeling van zorg- en opvoedingstaken.
2. In geschil is de omgang tussen de man en [de minderjarige], geboren [in 2005] te [woonplaats]. De man en de vrouw oefenen het gezag gezamenlijk uit.
3. De man verzoekt het hof, althans zo leest het hof het petitum van het beroepschrift, de bestreden beschikking, voor zover het de vaststelling van de omgangsregeling betreft, te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] vast te stellen als vermeld in het beroepschrift, althans een omgangsregeling vast te stellen welke door het hof passend wordt bevonden.
4. De man klaagt dat de rechtbank ten onrechte slechts een omgangsregeling heeft vastgesteld van één weekend per maand van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur. De man stelt zich op het standpunt dat door een dergelijke beperking van de omgang de relatie tussen hem en [de minderjarige] niet wordt opgebouwd en bestendigd, hetgeen niet in het belang van [de minderjarige] is. De man meent dan ook dat in de overige weekenden in de maand een omgangsregeling dient te gelden van alleen de zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur.
5. De vrouw bestrijdt het beroep van de man en verzoekt het hof de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
6. Het hof overweegt als volgt.
7. Het beroep van de vrouw op niet-ontvankelijkheid van de man omdat de rechtbank een omgangsregeling heeft vastgesteld zoals door de man ter zitting van de rechtbank verzocht, verwerpt het hof nu aannemelijk is dat de rechtbank het ter zitting gedane verzoek niet geheel juist heeft geïnterpreteerd.
8. Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling wordt aangevuld, in die zin dat de man, naast één weekend per maand van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, [de minderjarige] bij zich zal hebben gedurende één zondag per maand van 10.00 uur tot 18.00 uur en gedurende één dag per week tot 18.00 uur waarbij de man [de minderjarige] brengt naar en haalt van de peuterspeelzaal. Door een dergelijke omgangsregeling zal de man in staat zijn de band die tussen hem en [de minderjarige] bestaat te intensiveren, hetgeen het hof in het belang van [de minderjarige] acht. Niet is gebleken dat er contra-indicaties bestaan voor een dergelijke omgangsregeling. Bovendien is niet gebleken dat de omgang tussen de man en [de minderjarige] thans niet goed verloopt. Ook is ter zitting gebleken dat de vrouw instemt met uitbreiding van de omgangsregeling. Het hof gaat er van uit dat de vrouw [de minderjarige] zal stimuleren in de omgang met de man.
9. Het hof ziet geen aanleiding de man te veroordelen in de proceskosten en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten wordt derhalve afgewezen.
10. Mitsdien beslist het hof als volgt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus, dat [de minderjarige], met ingang van heden, bij de man zal zijn:
- gedurende één weekend per maand van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur,
- gedurende één zondag per maand van 10.00 uur tot 18.00 uur,
- gedurende één dag per week, waarbij de man [de minderjarige] brengt naar en haalt van de peuterspeelzaal en waarbij [de minderjarige] bij de man zal zijn tot 18.00 uur;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van den Wildenberg en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2009.