ECLI:NL:GHSGR:2009:BI0643
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Mink
- Bouritius
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap en onbevoegdheid hof inzake nationaliteitsvaststelling minderjarige
De moeder en vader van een minderjarige hebben in hoger beroep verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de vader en subsidiair om vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige. De vader had de minderjarige reeds erkend in het buitenland kort na de geboorte. Het hof oordeelt dat artikel 1:207 lid 2 onder Pro a BW aan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in dit geval geen afbreuk doet, ook niet wanneer het belang van de minderjarige is dat zij sneller de Nederlandse nationaliteit verkrijgt.
De rechtbank had het verzoek tot vaderschapsvaststelling afgewezen en de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap. Het hof bevestigt deze beslissing, overwegende dat het belang van de minderjarige bij een snellere verkrijging van het Nederlanderschap geen belang is dat door artikel 1:207 BW Pro wordt beschermd. Tevens overweegt het hof dat een wetswijziging per 1 maart 2009 tegemoetkomt aan de belangen van de minderjarige.
Het hof verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap, omdat beroep tegen de beschikking van de rechtbank alleen in cassatie openstaat. Het meer subsidiaire verzoek tot gerechtelijk bewijs van verwekkerschap wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep wordt daarmee afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap af, verklaart zich onbevoegd voor het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap en verklaart het meer subsidiaire verzoek niet-ontvankelijk.