ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3850

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.012.380.01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kaminga
  • Labohm
  • Burgers-Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen voorlopige alimentatiebeschikking

De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Dordrecht waarin voorlopige partner- en kinderalimentatie zijn vastgesteld ten behoeve van de vrouw en hun zoon. De vrouw en de zoon stelden dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het slechts een voorlopige beschikking betreft en de rechtbank geen definitief einde aan de alimentatiestrijd heeft gemaakt.

Het hof heeft onderzocht of de bestreden beschikking een eind- of tussenbeschikking is. De rechtbank had de definitieve beslissing over de alimentatie aangehouden in afwachting van aanvullende financiële gegevens van de man. Hierdoor is slechts een voorlopige beslissing genomen, waardoor de beschikking als een tussenbeschikking moet worden aangemerkt.

Volgens artikel 358 lid 4 Rv Pro is hoger beroep tegen tussenbeschikkingen niet toegestaan, tenzij de rechter anders beslist, wat hier niet het geval was. Daarom verklaart het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De beschikking is uitgesproken tijdens een openbare zitting op 27 maart 2009 door de rechters Kaminga, Labohm en Burgers-Thomassen.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de voorlopige alimentatiebeschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 27 maart 2009
Zaaknummer : 200.012.380.01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7956 + 71671 / FA RK 078461
[de man],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.R. van Manen,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.F. van Drenth.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de zoon],
hierna te noemen: de zoon
wonende te [woonplaats].
advocaat mr. F. van der Werff
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 28 juli 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Dordrecht van 14 mei 2008.
De vrouw heeft op 4 november 2008 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 6 oktober 2008 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 13 maart 2009 aanvullende stukken ingekomen.
Op 27 maart 2009 is de ontvankelijkheid van de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. Van der Werff en de man, bijgestaan door zijn advocaat. De zoon heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. De man komt in hoger beroep tegen de bestreden beschikking waarin onder andere een voorlopige uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw en [de zoon]is vastgesteld. Meer in het bijzonder komt de man in hoger beroep tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van de vrouw en [de zoon].
2. De vrouw en de zoon zijn van mening dat de man niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep aangezien er slechts sprake is van een voorlopige alimentatie. In hun visie is door de rechtbank in de bestreden beschikking geen einde gemaakt aan de rechtsstrijd terzake de door de vrouw en de zoon gevorderde alimentatie.
3. Het hof heeft eveneens de ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep aan de orde gesteld.
4. Ter beantwoording ligt voor de vraag of het onderdeel van de beschikking waarvan beroep betreffende de door man voorlopig aan de vrouw te betalen partner- en kinderalimentatie moet worden aangemerkt als een eindbeschikking of als een tussenbeschikking.
5. Door de man wordt gesteld dat, hoewel slechts een voorlopig bedrag ten behoeve van de partner- en de kinderalimentatie is vastgesteld, de behoefte van de vrouw en de zoon wel reeds definitief zijn vastgesteld.
6. De vrouw en de zoon hebben gesteld dat de rechtbank, ten aanzien van de behoefte, in de eindbeschikking nog op de beslissing terug kan komen. Voorts heeft de vrouw gesteld dat de behoefte van de zoon niet speelt ten tijde van de bestreden beschikking, aangezien de zoon toen nog minderjarig was. Indien de man meent dat [de zoon] na het bereiken van de meerderjarigheid geen behoefte meer heeft, dient hij hiertoe een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie te doen. De voorliggende procedure in hoger beroep leent zich hier niet voor.
7. Het hof overweegt als volgt. Door de rechtbank is de definitieve beslissing omtrent de kinder- en partneralimentatie aangehouden in afwachting van de jaarstukken van de man over 2007 en van recente salarisstroken van de man, alsmede in afwachting van de verdeling, voor zover de draagkracht van de man daardoor wordt beïnvloed. De rechtbank heeft aldus niet in het dictum omtrent enig deel van het verzochte beslist, doch heeft slechts een voorlopige beslissing omtrent de alimentatie gegeven. Naar het oordeel van het hof dient de bestreden beschikking daardoor als een tussenbeschikking te worden aangemerkt. Artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat van tussenbeschikkingen afzonderlijk hoger beroep niet is toegelaten, tenzij de rechter anders bepaalt, hetgeen in casu niet is geschied. De beschikking moet bovendien als voorlopig worden opgevat, zodat de rechter na heropening van het onderzoek vrij is om op grond van de hem dan blijkende omstandigheden ten aanzien van de partner- en kinderalimentatie zowel voor de toekomst als voor de periode vóór die heropening een ander bedrag vast te stellen.
8. Het vorenoverwogene brengt met zich dat de man niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kaminga, Labohm en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2009.