ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3864
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Kamminga
- Van der Zanden
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlands recht op huwelijksvermogensregime en bijdrage levensonderhoud na echtscheiding
Partijen zijn gehuwd en hebben geen gemeenschappelijke nationaliteit; de vrouw is Jordaanse, de man heeft enkel de Nederlandse nationaliteit. De vrouw stelde dat Jordaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, terwijl de man dit betwistte. Het hof oordeelde dat op grond van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en het ontbreken van een rechtskeuze het eerste huwelijksdomicilie bepalend is, en dat Nederland de eerste gewone verblijfplaats van partijen was na het huwelijk.
De rechtbank had eerder Nederlands recht toegepast en een bijdrage van €20 per maand toegekend voor het levensonderhoud van de vrouw. De vrouw stelde hoger beroep in tegen deze beschikking met het verzoek Jordaans recht toe te passen en een hogere bijdrage toe te kennen. De man verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Het hof nam de gronden van de rechtbank over en oordeelde dat Nederlands recht van toepassing is. Daarnaast bereikten partijen overeenstemming over de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, waarbij de man de schuld bij de bank als eigen schuld zal voldoen en de vrouw gevrijwaard wordt. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en bevestigt de toepassing van Nederlands recht en de bijdrage van €20 per maand in het levensonderhoud van de vrouw.