ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4985
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Mink
- van Nievelt
- Kamminga
- Rechtspraak.nl
Beëindiging uithuisplaatsing minderjarige wegens vervallen noodzaak
In deze zaak stond de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De vader was in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de kinderrechter om de machtiging tot plaatsing in een pleeggezin te verlengen tot september 2009. Hij stelde dat de ouders inmiddels in staat waren om zelf voor de minderjarige te zorgen en dat de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk was.
De raad voor de kinderbescherming betoogde dat eerst een persoonlijkheidsonderzoek moest plaatsvinden om de hulpbehoefte van de minderjarige en het gezin in kaart te brengen. De moeder had pas recent toestemming gegeven voor dit onderzoek, waardoor dit nog niet had kunnen plaatsvinden. De ouders ontvingen begeleiding en de bezoekcontacten met de pleeggezin verliepen goed, maar er waren ook incidenten en moeizame relaties.
Het hof oordeelde dat niet langer werd voldaan aan de criteria van artikel 1:261 BW Pro voor uithuisplaatsing. Er was geen bewijs dat de machtiging noodzakelijk bleef voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De ouders waren in staat de zorg op zich te nemen en stonden open voor begeleiding. Het persoonlijkheidsonderzoek kon ook vanuit huis plaatsvinden. Daarom werd de machtiging tot uithuisplaatsing per direct beëindigd en de bestreden beschikking vernietigd voor het verlengde gedeelte.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt per direct beëindigd.