ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ6618
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep vennootschapsbelasting: afwaardering vordering niet aannemelijk
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had een vordering op [A] B.V. die zij wilde afwaarderen ten laste van haar belastbare winst over 2001. Deze vordering was ontstaan door een lening aan [A] B.V., die vervolgens was doorgeleend aan [B] B.V., aandeelhouder in [C] B.V. Belanghebbende had aandelen in [C] B.V. gekocht van [B] B.V. tegen een koopsom die werd voldaan door verrekening met de vordering op [A] B.V.
De Inspecteur stelde dat de vordering volledig was tenietgegaan door deze verrekening en dat afwaardering daarom niet mogelijk was. Belanghebbende voerde aan dat slechts een deel van de vordering was verrekend en dat de rest kwijtgescholden was, en dat de waarde van de verkregen aandelen lager was dan de vordering.
Het hof oordeelde dat uit de overeenkomst blijkt dat de vordering volledig is voldaan door de verrekening met de koopsom van de aandelen. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de overeenkomst anders is uitgevoerd. Ook de stelling dat sprake is van kwijtschelding kon niet worden onderbouwd met concrete feiten. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting wordt bevestigd.