ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2074

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.033.117.01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
  • Mos-Verstraten
  • Kamminga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 RvArt. 278 lid 1 RvWet op de Jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Appel niet-ontvankelijk wegens ontbreken van gronden in het appelschrift bij verlenging ondertoezichtstelling

De moeder kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter waarin de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind werd verlengd en een machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend. Zij was het niet eens met deze besluiten en diende een appelschrift in.

Het hof oordeelde dat het appelschrift niet voldeed aan de vereisten van artikel 359 juncto Pro 278 lid 1 Rv, omdat het geen duidelijke gronden bevatte waarop het beroep was gebaseerd. De door de moeder aangevoerde punten stonden bovendien niet in verband met de bestreden beschikking. Aanvulling van de gronden tijdens de zitting werd niet toegestaan omdat de wet en de aard van de procedure dit niet toelieten.

Het hof verklaarde daarom het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk. De zaak werd mondeling behandeld waarbij de moeder, de vader en vertegenwoordigers van Jeugdzorg aanwezig waren. De beslissing van het hof bevestigt de noodzaak van een deugdelijk gemotiveerd appelschrift in hoger beroep bij familiezaken.

Uitkomst: Het hoger beroep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het appelschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 14 oktober 2009
Zaaknummer : 200.033.117/01
Rekestnr. rechtbank : JE RK 09-84
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. D.H. van Tongerlo te Rotterdam,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,
vestiging Gouda,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
Als belanghebbenden is aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. R.G. van den Heuvel te Gouda.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 12 mei 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 februari 2009 van de kinderrechter in de rechtbank te ‘s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking).
Jeugdzorg heeft op 5 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.
De vader heeft op 24 juli 2009 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 2 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 7 oktober 2009 twee brieven ingekomen. Met de als laatste ingekomen brief wordt de als eerste ingekomen brief ingetrokken en wordt voorts aan het hof bericht dat de vader ter zitting zal verschijnen doch zijn advocaat niet nu deze geen oproep voor de zitting heeft ontvangen en overigens is verhinderd aanwezig te zijn.
De raad voor de kinderbescherming, directie Zuid-West, vestiging Den Haag, heeft het hof bij brief van 10 juli 2009 bericht niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
Op 7 oktober 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, namens Jeugdzorg: de heren A. Petter en R. van den Berg. De advocaat van de moeder en de vertegenwoordiger van Jeugdzorg hebben het woord gevoerd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van de na te noemen minderjarige verlengd van 1 maart 2009 tot 1 maart 2010 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg, en voorts heeft de kinderrechter de aan Jeugdzorg verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 1 maart 2009 tot 1 maart 2010, zijnde de datum waarop de ondertoezichtstelling afloopt, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit van 8 januari 2009, verlengd.
ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
Hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift dat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359 jo Pro 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, onder meer moet bevatten een duidelijke omschrijving van het verzoek én de gronden waarop het berust.
Het appelschrift van de moeder houdt in dat zij het niet eens is met verlenging van de ondertoezichtstelling en met de verleende machtiging tot uithuisplaatsing, doch de gronden waarop zij vernietiging van de bestreden beschikking verzoekt, ontbreken naar het oordeel van het hof, geheel. Anders dan de raadsman ter zitting heeft betoogd, kan in het onder 4 van het appelschrift gestelde geen grond worden gelezen, danwel daaruit worden begrepen, nu het daarin aangevoerde in geen enkel verband staat tot de beslissing in de bestreden beschikking.
Aanvulling van gronden, zoals de raadsman van de moeder ter zitting voorstond, is - nu uit de wet of de aard van de procedure het tegendeel niet voortvloeit - niet toegestaan.
Het vorenstaand brengt mee dat de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Mos-Verstraten en Kamminga, bijgestaan door mr. De Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2009.