ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2138

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
105.011.423
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Labohm
  • A. van den Wildenberg
  • J. van der Burght
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van 'family life' tussen verwekker en kind aan de hand van getuigenverklaringen

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof 's-Gravenhage, stond de vraag centraal of er sprake was van 'family life' tussen de verwekker en het kind. De man, verzoeker in hoger beroep, had in een eerdere tussenbeschikking van 9 juli 2008 de mogelijkheid gekregen om bewijs te leveren van zijn stelling dat er afspraken waren gemaakt over zijn omgang met het kind. De getuigenverklaringen die tijdens het proces zijn afgelegd, bevestigden dat er inderdaad afspraken waren gemaakt over het contact tussen de man en het kind. De getuigen gaven aan dat de man het kind af en toe mocht zien, cadeaus mocht geven en het kind mee mocht nemen.

Het hof heeft de getuigenverklaringen in onderlinge samenhang beoordeeld en kwam tot de conclusie dat de man in zijn bewijsopdracht is geslaagd. De verklaringen van de getuigen gaven blijk van een nauwe persoonlijke relatie tussen de man en het kind, wat volgens het hof voldoende was om te concluderen dat er sprake was van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De man had contact met de moeder van het kind tijdens de zwangerschap, was op de hoogte van de geboorte en had het kind kort na de geboorte bezocht.

Het hof oordeelde dat de mondelinge behandeling moest worden voortgezet om partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over de omgangsregeling tussen de man en het kind. De beslissing van het hof was om de mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum voort te zetten en verdere beslissingen aan te houden. Deze beschikking werd uitgesproken op 23 september 2009 door de rechters M. Labohm, A. van den Wildenberg en J. van der Burght, bijgestaan door griffier Muller-Rietveld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 23 september 2009
Zaaknummer : 105.011.423/01
Rekestnummer : 851-R-07
Rekestnr. rechtbank : F1 RK 06-1997
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. N.C. Bellen te Rotterdam,
tegen
[belanghebbende 1],
hierna te noemen: de vrouw,
en
[belanghebbende 2],
hierna te noemen: [naam],
beiden wonende te [woonplaats],
verweersters in hoger beroep,
gezamenlijk te noemen: verweersters,
advocaat W.J. Eusman te Amsterdam.
HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Op 9 juli 2008 heeft dit hof een tussenbeschikking gegeven.
Op 4 juni 2009 heeft er een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal.
De man heeft op 2 juli 2009 een nadere conclusie na getuigenverhoor genomen.
Verweersters hebben op 31 augustus 2009 een nadere conclusie na getuigenverhoor genomen.
DE VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In de tussenbeschikking van 9 juli 2008 is de man toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat voor de geboorte van [het kind] tussen partijen is afgesproken dat:
a) de man [het kind] af en toe mag zien;
b) de man [het kind] af en toe een cadeau mag geven;
c) de man [het kind] af en toe mee mag nemen.
2. Gezien de inhoud van de getuigenverklaringen in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de man in zijn bewijsopdracht - zoals geformuleerd in rechtsoverweging 1 - is geslaagd.
De getuigen [X] heeft verklaard:
“[appellant] had een aantal voorwaarden die hij wilde stellen aan de inseminatie. Deze voorwaarden waren:
1) Dat hij wilde weten of er sprake was van een stabiele relatie tussen [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1].
2) Dat hij contact zou kunnen hebben met het kind.
Voor [appellant] was het van belang dat hij contact met het kind kon hebben. Tijdens het gesprek waarbij ik aanwezig was, is hier niet afwijzend op gereageerd.”
[belanghebbende 2] heeft verklaard:
” Hij mocht een cadeau geven er is niet gesproken hoe hij het cadeau kon geven. Hij mocht van ons het kind een keertje zien.”
[belanghebbende 1] heeft verklaard:
” Tijdens het gesprek heeft hij gevraagd of hij het kind mocht zien. En of hij het kind een cadeau mocht geven. Hij mocht een keer het kind zien en hij mocht een keer het kind een cadeau geven. Dit is verder tijdens het gesprek niet verder uitgewerkt. Wij hebben ook een geboortekaart naar hem gestuurd. Na de geboorte is [appellant] langs gekomen. Hij had een cadeau bij zich zijnde een jurkje, 3 rompertjes en een T-shirt.”
De man heeft verklaard:
” Wij vieren hebben toen een gesprek gehad. Voordien is aan mij de vraag gesteld of ik bij een biseksuele vrouw een kind wilde maken. Ik heb toen ja gezegd, mits ik het kind kon zien, het kind een cadeau kon geven en af en toe kon meenemen. [belanghebbende 2] heeft mij gebeld toen [het kind] was geboren en heeft mij gezegd dat ik vader was geworden. Begin september 2005 heb ik een bezoek gebracht aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1]. Ik had toen een cadeau gekocht voor [het kind], zijnde een jurk en een T-shirt.”
3. Het hof is op basis van de getuigenverklaringen van partijen van oordeel dat de man in een zo nauwe persoonlijke betrekking staat of heeft gestaan dat hij gezinsleven met [het kind] in de zin van artikel 8 EVRM heeft gehad. Uit de getuigenverklaringen van de man en geïntimeerden volgt: dat de man tijdens de zwangerschap van de vrouw contact met haar heeft gehad, hij op de hoogte is gesteld van de geboorte van [het kind], hij het kind kort na de geboorte heeft bezocht en voor [het kind] een cadeau heeft gekocht. Gezien het feitelijk handelen van de man volgt dat de man een duidelijke betrokkenheid voelt bij het leven van [het kind].
4. Het hof acht voortzetting van de mondelinge behandeling noodzakelijk ten einde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de omgangsregeling tussen de man en [het kind].
5. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING
Het hof:
bepaalt voortzetting van de mondelinge behandeling op een nog nader te bepalen datum;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van den Wildenberg en Van der Burght, bijgestaan door Muller-Rietveld als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2009.