ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2791

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.016.586.01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van de Poll
  • Van Dijk
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:200 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing ontkenning juridisch vaderschap en gerechtelijke vaststelling biologisch vaderschap

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank waarin haar verzoek tot ontkenning van het juridisch vaderschap van de juridische vader en gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de biologische vader werd afgewezen. Het geschil betreft het vaderschap van een minderjarige van ruim vier jaar die sinds november 2007 op grond van een machtiging uithuisplaatsing bij de juridische vader verblijft.

De moeder stelt dat het belang van het kind is gediend met vaststelling van het biologische vaderschap en ontkenning van het juridische vaderschap, verwijzend naar artikel 1:200 lid 1 BW Pro en artikel 8 EVRM Pro. De juridische vader en de bijzonder curator betogen dat het belang van het kind prevaleert bij het handhaven van de huidige situatie, die rust en continuïteit biedt. De biologische vader sluit zich aan bij het verzoek van de moeder, maar zijn rol en geschiktheid blijven onduidelijk.

Het hof overweegt dat het belang van de minderjarige bij een stabiele en vertrouwde woonomgeving met rust en regelmaat zwaarwegend is. Het risico dat het kind uit deze omgeving wordt gehaald bij toewijzing van het verzoek is te groot. Ook is het onwenselijk dat de juridische vader het gezag verliest, wat tot een onwerkbare situatie kan leiden vanwege de problematische verstandhouding tussen de betrokken volwassenen. Het hof acht het belang van het kind zwaarder dan het belang van juridische overeenstemming met de biologische werkelijkheid en wijst het hoger beroep af.

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking, verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad en wijst het verzoek van de moeder in hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de beschikking die de ontkenning van het juridisch vaderschap en de gerechtelijke vaststelling van het biologisch vaderschap afwijst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 7 oktober 2009
Zaaknummer : 200.016.586.01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-5828
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H. Polat, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1. [belanghebbende 1],
wonende te [woonplaats],
zijnde de juridische vader van na te noemen minderjarige,
hierna te noemen: [belanghebbende 1] of de juridische vader,
advocaat mr D. K. P. K. El Fadili, kantoorhoudende te Leiden,
2. [belanghebbende 2],
wonende te [woonplaats],
zijnde de biologische vader van na te noemen minderjarige,
hierna te noemen: [belanghebbende 2] of de biologische vader,
advocaat mr. drs. J. F. M. van Weegberg, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage
3. mr. A. B. BAUMGARTEN advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige,
[minderjarige],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de bijzonder curator.
Als informant is aangemerkt:
de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,
vestiging Den Haag Centrum/Scheveningen,
hierna te noemen: Jeugdzorg
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 19 september 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 juni 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
De juridische vader heeft op 25 juni 2009 een verweerschrift ingediend.
De biologische vader heeft op 24 juni 2009 een reactie belanghebbende ingediend.
Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 12 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de biologische vader is bij het hof op 30 juni 2009 een aanvullend stuk ingekomen.
Op 2 juli 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, [belanghebbende 1], bijgestaan door zijn advocaat, [belanghebbende 2], bijgestaan door zijn advocaat en de bijzonder curator. Namens Jeugdzorg is verschenen de gezinsvoogd, de heer T. van Lieshout. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van [belanghebbende 1] onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking zijn de verzoeken van de moeder strekkende tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [belanghebbende 1] en de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende 2] afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de ontkenning van het vaderschap van [belanghebbende 1] en de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende 2] ten aanzien van de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats], hierna verder: [de minderjarige]. [de minderjarige] verblijft thans, op grond van een machtiging uithuisplaatsing, bij [belanghebbende 1].
2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat gegrond wordt verklaard de ontkenning van het vaderschap van [belanghebbende 1] en dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende 2] wordt toegewezen.
3. [belanghebbende 1] bestrijdt het hoger beroep en verzoekt, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.
4. [belanghebbende 2] verzoekt, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de moeder toe te wijzen.
5. De bijzonder curator bestrijdt het hoger beroep en stelt dat het verzoek van de moeder dient te worden afgewezen.
6. De moeder heeft ter onderbouwing van haar beroepschrift – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de beslissing over het juridisch vaderschap pas genomen dient te worden wanneer [de minderjarige] zelf een weloverwogen oordeel kan vormen. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de hoofdregel van artikel 1:200 lid 1 sub a Burgerlijk Pro Wetboek (hierna ook BW). [de minderjarige] heeft recht op vaststelling van de familierechtelijke betrekkingen met haar biologische vader. De rechtbank heeft dan ook niet in het belang van [de minderjarige] geoordeeld doch heeft de continuering van de uithuisplaatsing bij [belanghebbende 1] vooropgesteld. Dit is geen zwaarwegende omstandigheid om de met de biologische werkelijkheid strijdige situatie te laten voortduren. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met het afstammingsrecht en met het bepaalde in artikel 8 Europees Pro Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna ook EVRM).
7. [belanghebbende 1] stelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet eerder over het juridisch vaderschap kan worden beslist dan wanneer [de minderjarige] in staat is een eigen beslissing te nemen. De rechtbank is terecht afgeweken van artikel 1:200 lid 1 BW Pro aangezien het belang van [de minderjarige] prevaleert. [belanghebbende 1] stelt daarnaast dat het belang van [de minderjarige] zal worden geschaad indien de ontkenning van het vaderschap wordt toegewezen nu met de ontkenning haar veilige leefomgeving, de rust en duidelijkheid zal komen te vervallen.
8. [belanghebbende 2] verenigt zich met het beroepschrift van de moeder en stelt dat het nimmer de bedoeling is geweest dat [belanghebbende 1] de juridische vader zou worden van [de minderjarige]. De huidige situatie is ontstaan als gevolg van de langdurige echtscheidingsprocedure. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Door uitstel van de beslissing zal [de minderjarige] op latere leeftijd te maken krijgen met een loyaliteitsconflict.
9. De bijzonder curator stelt zich op het standpunt dat, gelet op de emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] en de band die zij thans heeft met [belanghebbende 1], het verzoek van de moeder niet in het belang is van [de minderjarige]. De moeder is de procedure louter gestart opdat [de minderjarige] haar achternaam zal verkrijgen.
10. De gezinsvoogd stelt zich ter terechtzitting op het standpunt dat ontkenning van het vaderschap van [belanghebbende 1] niet in het belang is van [de minderjarige]. [de minderjarige] is gebaat bij rust. Wanneer de juridische vader wordt ontheven van het vaderschap ontstaat er een gezagsvacuüm. Een chronische ondertoezichtstelling zal als gevolg daarvan gaan ontstaan.
11. Het hof overweegt als volgt.
12. Op grond van artikel 1:200 lid 5 BW Pro kan de moeder binnen één jaar na de geboorte van het kind een verzoek bij de rechtbank indienen tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. Nu de moeder het verzoek binnen één jaar heeft ingediend zal het hof thans beoordelen of toewijzing van het verzoek in het belang is van [de minderjarige].
13. Het hof neemt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. Er is geen sprake van unanieme instemming door alle betrokkenen met het verzoek van de moeder. [de minderjarige] is nog een zeer jong kind van thans ruim vier jaar oud en verblijft sinds november 2007 op grond van een machtiging uithuisplaatsing bij [belanghebbende 1], die gezamenlijk met de moeder het gezag over haar heeft. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij de komende tijd bij [belanghebbende 1] kan blijven wonen. Dat is voor haar een vertrouwde omgeving met rust en regelmaat en daar gaat het volgens Jeugdzorg, [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] goed met haar. Ook heeft [de minderjarige] in die situatie zowel contact met haar moeder als met [belanghebbende 2], één en ander vooralsnog onder leiding van Jeugdzorg. Bij [belanghebbende 1] heeft [de minderjarige] ook contact met haar halfzusje. [belanghebbende 1] werkt mee aan het contact tussen [de minderjarige] en haar moeder en [belanghebbende 2]. De toekomst van [de minderjarige] ligt op dit moment dan ook meer bij [belanghebbende 1] dan bij [belanghebbende 2]. Het hof acht met de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap het risico te groot dat [de minderjarige] uit haar vertrouwde omgeving wordt gehaald. Immers heeft de moeder verklaard dat [de minderjarige] bij haar dan wel bij [belanghebbende 2] dient te verblijven.
14. Het hof is van oordeel dat terugkeer van [de minderjarige] naar de moeder op korte termijn niet mogelijk is, nu het hof niet is gebleken dat de moeder inmiddels over zodanige opvoedkundige capaciteiten beschikt dat zij in staat is [de minderjarige] een veilig en stabiel opvoedingsklimaat te bieden. Het hof is voorts van oordeel dat de stellingname van [belanghebbende 2] niet eenduidig is. Enerzijds zegt hij bereid te zijn het juridisch vaderschap op zich te nemen. In dat geval wil hij [de minderjarige] zelf opvoeden en verzorgen. Of hij daartoe geschikt is en hoe dat feitelijk zijn beslag zou moeten krijgen, nu hij een aantal maanden per jaar in het buitenland verblijft, is onduidelijk gebleven. Anderzijds heeft hij aangegeven dat hij er mee kan instemmen dat [de minderjarige] bij [belanghebbende 1] verblijft.
15. Het hof acht het bovendien niet wenselijk dat [belanghebbende 1] met de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap het gezag over [de minderjarige] verliest, waardoor hij bij belangrijke beslissingen omtrent [de minderjarige] de toestemming van de moeder en eventueel ook van [belanghebbende 2] dient te verkrijgen. Het hof is van oordeel dat hiermee een onwerkbare situatie zal ontstaan. De verstandhouding tussen de moeder en [belanghebbende 1] verloopt problematisch en er bestaat een risico dat er ook problemen zullen ontstaan tussen [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1], nu [belanghebbende 2] te kennen heeft gegeven de omgangsregeling uit te willen breiden. Het hof acht het risico te groot dat de hieruit voortvloeiende spanningen hun weerslag zullen hebben op [de minderjarige]. Het hof acht het dan ook in het belang van [de minderjarige] dat zij [belanghebbende 2] vanuit de voor haar veilige setting bij [belanghebbende 1] beter kan leren kennen. Ook zal duidelijk moeten worden of [belanghebbende 2] bereid en in staat is om een substantiële rol in het leven van [de minderjarige] te spelen en waar [de minderjarige] zelf behoefte aan heeft. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van [de minderjarige] meebrengt dat over de ontkenning van het vaderschap niet wordt beslist voordat zij zich zelf daarover een weloverwogen oordeel kan vormen. Het hof acht dat belang zwaarwegender dan haar belang en dat van de overige betrokkenen dat de juridische werkelijkheid thans in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid.
16. Van schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat [de minderjarige] bij afwijzing van het verzoek van de moeder niet zou kunnen delen in de nalatenschap van de biologische vader zoals de moeder stelt, is naar het oordeel van het hof geen sprake nu het [belanghebbende 2] vrij staat [de minderjarige] bij testament daarin te laten delen.
17. Mitsdien wordt als volgt beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Dijk en Fockema Andreae-Hartsuiker bijgestaan door mr. Pol als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2009.