Art. 5 EVRMArt. 1 IVRKArt. 29a lid 1 WjzArt. 29b lid 3 WjzArt. 1:233 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging gesloten plaatsing jong meerderjarige wegens strijd met artikel 5 EVRM
De zaak betreft een jong meerderjarige die na het bereiken van 18 jaar in een gesloten jeugdzorginstelling verbleef op grond van een machtiging die was afgegeven toen hij nog minderjarig was. Jeugdzorg had een machtiging gesloten plaatsing verkregen en wilde deze voortzetten tot 27 maart 2010. De jong meerderjarige kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en voerde aan dat de wettelijke grondslag, artikel 29a lid 1 Wjz, in strijd is met artikel 5 EVRMPro en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).
Het hof overwoog dat artikel 5 EVRMPro alleen vrijheidsbeneming van minderjarigen ten behoeve van hun opvoeding toestaat en dat een jong meerderjarige van 18 jaar of ouder niet als minderjarige kan worden aangemerkt. De wettelijke regeling die de leeftijd voor gesloten jeugdzorg oprekt tot 21 jaar is daarom niet verenigbaar met het EVRM. Hoewel er sprake was van ernstige opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid belemmeren, kan dit de vrijheidsbeneming na 18 jaar niet rechtvaardigen.
Het hof vernietigde daarom de beschikking tot gesloten plaatsing en wees het verzoek van Jeugdzorg af. De uitspraak bevestigt dat vrijheidsbeneming van jong meerderjarigen in gesloten jeugdzorginstellingen niet is toegestaan onder het EVRM, ondanks de nationale wetgeving die dit tracht toe te staan.
Uitkomst: De beschikking tot gesloten plaatsing van de jong meerderjarige is vernietigd wegens strijd met artikel 5 EVRM.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 8 oktober 2009
Zaaknummer : 200.031.868.01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-184
[appellant],
thans verblijvende in de [gesloten plaatsing]
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de jong meerderjarige,
advocaat mr. M.F. Laning te ’s-Gravenhage,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,
kantoor houdende te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende 1],
wonende te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de moeder.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De jong meerderjarige is op 21 april 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 februari 2009 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.
Jeugdzorg heeft op 24 juni 2009 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de jong meerderjarige zijn bij het hof op 25 mei 2009 en 13 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.
De raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden en Z-H Noord, locatie Den Haag heeft het hof bij brief van 14 augustus 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
Op 15 juli 2009 heeft dit hof, op diens verzoek van 15 juli 2009, de toevoeging aan de jong meerderjarige gelast van mr. M.F. Laning, advocaat te ’s-Gravenhage.
Op 8 oktober 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de jong meerderjarige, bijgestaan door zijn advocaat, en namens Jeugdzorg: mevrouw D. van Bergen-van der Grijp en de heer O. Nijhof. Voorts is verschenen de moeder van de jong meerderjarige. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is Jeugdzorg gemachtigd de hierna te noemen thans jong meerderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b lid 1 van de Wet op de Jeugdzorg (hierna: Wjz) van 27 maart 2009 tot 27 maart 2010, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit van 12 december 2008. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de uithuisplaatsing na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar van de thans jong meerderjarige: [jong meerderjarige], geboren [in] 1991 te [geboorteplaats], hierna: de jong meerderjarige.
2. De jong meerderjarige verzoekt om bij beschikking, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van Jeugdzorg af te wijzen.
3. Jeugdzorg bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. De jong meerderjarige heeft in hoger beroep – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft artikel 29a lid 1 Wjz ten onrechte toegepast, nu de rechtbank voorbij is gegaan aan het verbod op vrijheidsbeneming in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna IVRK). Uit artikel 1 IVRKPro volgt dat de wetgever een kind na het bereiken van de leeftijd van 18 niet als minderjarige mag behandelen. Artikel 5 EVRMPro strekt niet verder dan het moment waarop het kind meerderjarig wordt. Artikel 29a lid 1 Wjz is dan ook in strijdt met artikel 5 EVRMPro.
5. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de gesloten opname in het belang is van de jong meerderjarige. Er is sprake van ernstige opgroei en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Verblijf in een voorziening voor gesloten jeugdzorg is noodzakelijk om te voorkomen dat de jong meerderjarige zich onttrekt aan de behandeling. Er is dan ook voldaan aan de grond van artikel 29 b derde lid Wjz.
6. Het hof overweegt als volgt.
Wettelijk kader
7. Artikel 29 a lid 1 Wjz bepaalt dat de gesloten jeugdzorg van toepassing is op minderjarige jeugdigen en jeugdigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, ten aanzien van wie op het tijdstip waarop zij meerderjarige werden een machtiging gold. In afwijking van artikel 1:233 BurgerlijkPro Wetboek worden jong meerderjarigen als minderjarigen behandeld. Er is dus in materiële zin sprake van een oprekking van de leeftijd van jeugdigen die met een machtiging gesloten jeugdzorg behandeld kunnen worden van 18 naar 21 jaar. Dit houdt in dat 18-plussers die als minderjarigen in een instelling voor gesloten jeugdzorg verbleven, gesloten geplaatst kunnen blijven. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever het als een groot manco ervaart dat jeugdigen die op grond van een kinderbeschermingsmaatregel gedwongen zijn jeugdzorg te ontvangen, zich daaraan kunnen onttrekken zodra zij meerderjarig worden. Er bestaat noodzaak om de jeugdzorg in gedwongen kader voort te zetten omdat de kinderen anders van hulp verstoken blijven.
Relevante verdragsbepalingen
8. Artikel 5 EVRMPro bepaalt dat alleen minderjarigen ten behoeve van hun opvoeding gesloten geplaatst mogen worden.
9. Artikel 1 IVRKPro bepaalt dat onder een kind iedere persoon jonger dan 18 jaar wordt verstaan, tenzij de meerderjarigheid eerder wordt toegekend.
10. In casu heeft Jeugdzorg op 20 januari 2009 een verzoekschrift ingediend en de machtiging gesloten plaatsing is op
3 februari 2009 door de kinderrechter afgegeven. Ten tijde van de uitspraak was de jong meerderjarige nog geen 18 jaar. Hij is meerderjarig geworden op [geboortedatum]. Er is hiermede voldaan aan het vereiste dat er een machtiging gold.
11. Artikel 29b Wjz omschrijft een aantal criteria waaraan de machtiging van gesloten jeugdzorg dient te voldoen. Er dient sprake te zijn van ernstige opgroei of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat opneming noodzakelijk is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg al onttrekken. Daarnaast dient een verklaring van een gedragswetenschapper te worden overgelegd.
12. Het hof is van oordeel dat er sprake is van ernstige opvoed en opgroeiproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid van de jong meerderjarige belemmeren. Voorop staat dat daartegen geen grief is gericht.
13. De vraag is echter of de wettelijke bepaling die beoogt de minderjarigheid onder deze omstandigheden te verlengen, stand kan houden. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is. Aangezien een jeugdige van 18 jaar of ouder niet kan worden aangemerkt als minderjarige in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM, zulks mede in het licht van artikel 1 IVRKPro, is vrijheidsbeneming in het kader van gesloten jeugdzorg ten aanzien van een dergelijke jeugdige met toepassing van artikel 29a, eerste lid, Wjz niet verenigbaar met deze een ieder verbindende verdragsbepaling.
14. Uit het voorgaande volgt dat de plaatsing van de jong meerderjarige in een gesloten inrichting vanwege ernstige gedragsproblemen wegens strijd met het EVRM niet mogelijk is. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd.
15. Het inleidende verzoek dient alsnog te worden afgewezen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage van 3 februari 2009;
wijst af het inleidende verzoek van Jeugdzorg.
Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van Leuven en de Haan-Boerdijk bijgestaan door mr. Pol als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2009.