ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3091
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Kamminga
- Hulsebosch
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid gerechtshof bij wijziging gewone verblijfplaats minderjarige naar Denemarken
In deze zaak stond de vraag centraal welke rechter bevoegd is om te beslissen over de gewone verblijfplaats en omgangsregeling van een minderjarige na verhuizing naar het buitenland. De vrouw en de minderjarige zijn tijdens de procedure in hoger beroep verhuisd naar Denemarken, waar zij ook zijn ingeschreven. De man, die reeds in Denemarken woonde, was appellant in het hoger beroep.
Het hof heeft onderzocht of het gerechtshof in Nederland op grond van de Brussel II bis-verordening of het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961 bevoegd was. Denemarken is geen lidstaat van Brussel II bis en ook geen partij bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag, waardoor deze verdragen geen rechtsmacht aan de Nederlandse rechter verschaffen.
Vervolgens is beoordeeld of op grond van artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de Nederlandse rechter bevoegd is. Het hof oordeelde dat er geen uitzonderlijk geval is dat de Nederlandse rechter bevoegd zou maken, omdat de verbondenheid met Nederland ontbreekt en alle betrokkenen in Denemarken wonen en de Deense nationaliteit bezitten.
Daarom verklaarde het hof zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en kwam het niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de verzoeken. De zaak kreeg een internationaal karakter door de verhuizing, maar de Nederlandse rechter kon geen rechtsmacht ontlenen aan de toepasselijke verdragen of nationale wetgeving.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart zich onbevoegd vanwege de wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige naar Denemarken.