ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5641

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
105.009.343.01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kamminga
  • Dusamos
  • Mulder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWWet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheidingStb. 2008, 500
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige voor de duur van één jaar wegens zwaarwegende belangen kind

In deze zaak staat de omgang tussen een vader en zijn minderjarige dochter centraal. De raad voor de kinderbescherming concludeerde dat er geen zwaarwegende belangen waren die contact in de weg stonden, maar het kind weigerde mee te werken aan de omgangsregeling. Het hof verzocht daarop Jeugdzorg onderzoek te doen naar de beweegredenen van het kind en het belang van de omgang.

Uit het rapport van Jeugdzorg bleek dat het veertienjarige meisje grote weerstand heeft tegen contact met haar vader, ook bij begeleide omgang. Zij gaf aan weg te lopen als zij daartoe gedwongen zou worden, mede vanwege ervaringen met huiselijk geweld en een slechte band met haar vader. De raad vermoedde een loyaliteitsconflict.

Het hof oordeelt dat het forceren van contact de draagkracht van het kind te boven gaat en in strijd is met haar zwaarwegende belangen. Daarom ontzegt het hof de vader het recht op omgang voor de duur van één jaar. Het hof wijst een bemiddelingstraject af en verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad, die bepalen dat een dergelijke ontzegging tijdelijk is en na een jaar heroverwogen kan worden.

Uitkomst: Het hof ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige voor de duur van één jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 30 september 2009
Zaaknummer : 105.009.343/01
Rekestnummer : 622-R-06
Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-6271
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.A. Meijer te Alphen aan den Rijn,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. P.J.B. van Deurzen te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende is opgeroepen:
de raad voor de kinderbescherming,
Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,
vestiging ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de raad.
HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikkingen van 24 januari 2007, 23 april 2008 en 29 oktober 2008. Bij de beschikking van 29 oktober 2008 heeft het hof de raad verzocht onderzoek door Jeugdzorg te laten verrichten naar en advies te geven over de in rechtsoverweging 5 geformuleerde vragen. Voor het overige is iedere verdere beslissing aangehouden.
Op 13 maart 2009 is van de zijde van de raad zijn advies, met als bijlage de rapportage van Jeugdzorg van 23 februari 2009, bij het hof ingekomen.
Bij brieven van 30 maart 2009 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het advies van de raad.
Van de zijde van de vader is bij het hof op 15 april 2009 een reactie ingekomen.
Van de zijde van de moeder is bij het hof op 7 april 2009 een brief ingekomen.
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, heeft de wet onmiddellijke werking. Waar het vóór eerstgenoemde datum, in het geval ouders gezamenlijk het gezag hebben over hun minderjarige kind(eren), in gerechtelijke procedures gangbaar was te spreken van “omgang”, in de zin van de duur van het verblijf van de minderjarige(n) bij de andere ouder dan die waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft, omschrijft de wet in artikel 1:253a BW dit nu als “een toedeling van de zorg- en opvoedingstaken”, als onderdeel van een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Het hof zal in deze zaak het begrip “omgang” verstaan als “toedeling van zorg- en opvoedingstaken” en beoordelen in het licht van de Wet bevordering voortgezet ouderschap.
2. Nadat de raad in zijn rapport van 28 juli 2008 had geconcludeerd dat er geen zwaarwegende belangen zijn die contact tussen de vader en de minderjarige in de weg staan en het hof was gebleken dat [kind] weigerde mee te werken aan de uitvoering van de door het hof bepaalde omgangsregeling, heeft het hof in de tussenbeschikking van 29 oktober 2008 de raad verzocht onderzoek door Jeugdzorg te laten verrichten naar en advies geven over de navolgende vragen, en het hof daarover schriftelijk te rapporteren:
a. Wat zijn de beweegredenen van [kind] om geen omgang met haar vader te willen?
b. Zijn deze redenen, volgens de raad, voldoende om te kunnen stellen dat omgang tijdelijk niet in het belang van [kind] is?
3. De raad heeft vervolgens naar aanleiding van het rapport van Jeugdzorg van 23 februari 2009 het hof bericht dat [kind]’s redenen om geen contact te willen hebben met haar vader gehonoreerd dienen te worden.
4. In reactie daarop heeft de vader gesteld dat [kind] kennelijk op dit moment niet tegen de druk van haar moeder is opgewassen. Hij vraagt zich af of opschorting van de omgang enig soelaas zal bieden. Hij verzoekt het hof om te bezien of een bemiddelingstraject tussen de ouders wellicht iets kan betekenen voor de contacten tussen de vader en [kind].
5. De moeder heeft afgezien van het indienen van een nadere reactie op het advies van de raad.
6. Het hof stelt voorop dat het voor de ontwikkeling van een kind belangrijk is dat het, ook na scheiding van de ouders, contact heeft met de ouders. Uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist kan een tijdelijk verbod om met het kind contact te hebben aan een ouder worden opgelegd .
7. Het hof overweegt als volgt. Uit het overgelegde rapport van 23 februari 2009 van Jeugdzorg blijkt van grote weerstand van [kind], een veertienjarig meisje, tegen contact met haar vader, ook als de contacten met hem begeleid zouden plaatsvinden. Zij heeft tegen Jeugdzorg gezegd dat zij weg zal lopen indien zij gedwongen wordt tot contacten met haar vader. Hiertoe heeft zij onder meer aangevoerd dat er sprake was van huiselijk geweld jegens haar moeder in de thuissituatie, dat zij geen leuke herinneringen heeft aan haar vader en dat ze geen goede band met hem heeft gehad. De raad heeft het vermoeden dat zij klem zit tussen haar ouders. Gezien de reactie van [kind] zal dwang tot omgang met de vader het tegengestelde effect hebben van wat de vader beoogt. Bij de raad zijn vermoedens van een loyaliteitsconflict gerezen. Het hof is dan ook van oordeel dat, mede gezien de leeftijd van de minderjarige en de ernstige bezwaren waarvan zij tegen contact met de vader heeft doen blijken, het thans forceren van contact tussen de vader en [kind] de draagkracht van haar te boven gaat en derhalve in strijd is met zwaarwegende belangen van [kind]. Het hof oordeelt dat deze zwaarwegende belangen van [kind] vergen dat er thans rust wordt gecreëerd en dat na een periode van rust eventueel weer ruimte kan ontstaan voor hernieuwde belangstelling van de minderjarige voor contact met haar vader. Het hof ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding om een bemiddelingstraject tussen de ouders te bepalen zoals de vader verzoekt. Het hof wijst partijen op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 juni 2003 (Nekvedavicius tegen Duitsland) en van de Hoge Raad van 27 februari 2009 waarin is bepaald dat elke afwijzing van een verzoek tot contact met een minderjarige tijdelijk van aard is, in die zin dat de ouders wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een regeling in het kader van de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken te doen vaststellen. Het hof ziet dan ook aanleiding de vader het recht om omgang voor de duur van een jaar te ontzeggen.
8. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
ontzegt de vader met ingang van heden het recht op omgang met de minderjarige voor de duur van één jaar;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte in hoger beroep af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Dusamos en Mulder, bijgestaan door
mr. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2009.