ECLI:NL:GHSGR:2009:BK7616
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Mink
- Bouritius
- Van de Poll
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap met rechtmatig DNA-bewijs
In deze zaak staat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man ten opzichte van de minderjarige centraal. De man kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die het vaderschap vaststelde. Hij voerde onder meer aan dat het DNA-bewijs onrechtmatig was verkregen en dat het onderzoek niet voldeed aan de vereisten. Tevens stelde hij emotionele bezwaren tegen de juridische vaststelling.
Het hof oordeelde dat het DNA-onderzoek rechtmatig was, omdat de man in 2006 vrijwillig toestemming gaf en meewerkte aan het onderzoek. Er was geen sprake van onrechtmatige inbreuk op zijn lichamelijke integriteit of privacy. Het gebruikte DNA-rapport was betrouwbaar en gebruikelijk als bewijs. De rechtbank mocht dit rapport gebruiken zonder extra toestemming van de man.
Verder stelde het hof vast dat de rechtbank terecht uitging van de juistheid van het DNA-onderzoek, uitgevoerd door een ISO-gecertificeerd instituut en een deskundige geneticus. De man had destijds vertrouwen in het instituut en had dit niet ingetrokken. Tenslotte oordeelde het hof dat emotionele bezwaren van de man geen grond vormen om af te wijken van de juridische vaststelling van het vaderschap, omdat dit belang dient van de minderjarige.
Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en wees het hoger beroep van de man af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en wijst het hoger beroep van de man af.