ECLI:NL:GHSGR:2009:BL9417

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.028.483-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Husson
  • M. Mink
  • J. Bouritius
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid hof tot nevenvoorziening gebruik buitenlandse echtelijke woning

In deze zaak is het hoger beroep ingesteld tegen een beschikking waarin de echtscheiding tussen partijen was uitgesproken en de behandeling van nevenvoorzieningen was aangehouden. De man verzocht het hof om de echtscheiding uit te spreken en hem het recht te geven gedurende zes maanden het gebruik van de voormalige echtelijke woning met vakantieappartementen en inboedel voort te zetten. Deze woning is gelegen in het buitenland.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 4 lid 3 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het hof zich niet bevoegd acht om te oordelen over nevenvoorzieningen die betrekking hebben op een woning buiten Nederland. Hierdoor kan geen verband worden gelegd tussen de echtscheiding en het verzoek tot nevenvoorziening.

Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking voor zover het oordeel van het hof betreft, verklaart zich onbevoegd over het verzoek tot voortzetting van het gebruik van de buitenlandse woning, en veroordeelt de man in de proceskosten, aangezien hij de vrouw onnodig in rechte heeft betrokken.

Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd over het verzoek tot voortzetting van het gebruik van de buitenlandse woning en veroordeelt de man in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 12 augustus 2009
Zaaknummer : 200.028.483/01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7580
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.C. Lang, te Waalre,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. G.L. Brokking-van Alphen te Valkenswaard.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 18 maart 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 december 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
De vrouw heeft op 23 juli 2009 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man is bij het hof op 20 juli 2009 een aanvullend stuk ingekomen.
Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 20 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.
Op 30 juli 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten die allen het woord hebben gevoerd.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn de behandeling en de beslissing ten aanzien van de nevenvoorzieningen aangehouden.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil zijn de echtscheiding en de voortzetting van het gebruik van de voormalige echtelijke woning van partijen met de daarbij behorende vakantieappartementen en inboedel.
2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, opnieuw de echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat de man gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, gerechtigd is het gebruik van de voormalige echtelijke woning met de daarbij behorende vakantieappartementen en inboedel, staande en gelegen te [adres], voort te zetten.
3. De vrouw verzoekt de vordering van de man af te wijzen hetzij door niet-ontvankelijkverklaring; hetzij door ontzegging en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Bevoegdheid van het gerechtshof
4. Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep van de man strekt ertoe de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorziening te herstellen, zodat op hetzelfde moment wordt beslist op beide verzoeken. Gelet op het bepaalde in artikel 4 lid Pro 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering acht het hof zich niet bevoegd over het verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening van de man te oordelen, nu de woning waarop het verzoek betrekking heeft buiten Nederland is gelegen. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat er geen band tussen de echtscheiding en nevenvoorziening in stand te houden valt, zoals de man heeft betoogd.
Proceskostenveroordeling
5. De man zal overeenkomstig het daartoe strekkend verzoek van de vrouw als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Voor een compensatie van kosten ziet het hof in dit geval geen aanleiding, nu is komen vast te staan dat de man de vrouw nodeloos in rechte heeft betrokken.
6. Mitsdien wordt als volgt beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek van de man om te bepalen dat hij gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, gerechtigd is het gebruik van de voormalige echtelijke woning met de daarbij behorende vakantieappartementen en inboedel, staande en gelegen te [adres], voort te zetten;
veroordeelt de man in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 1.788,- ter zake van salaris van de advocaat en € 251,- aan griffierecht en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Mink en Bouritius, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2009.