ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4529
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beschikking verkrijgingsprijs aandelen na juridische splitsing
Belanghebbende en zijn zuster waren tot 2001 elk voor 50% houder van certificaten van aandelen in [C] B.V., die alle aandelen hield in vier dochtervennootschappen. In 2001 vond een juridische splitsing plaats waarbij het vermogen van [C] B.V. werd verdeeld over [D] B.V. en [E] B.V., waarna [C] B.V. ophield te bestaan. De aandelen in [D] B.V. en [E] B.V. werden tegen nominale waarde overgedragen aan belanghebbende en zijn zuster.
De Inspecteur stelde in 2001 de verkrijgingsprijs van de aandelen in [D] B.V. en [E] B.V. vast, maar niet expliciet voor de aandelen in [A] B.V. (de nieuwe naam van [D] B.V.). In 2004 stelde de Inspecteur bij beschikking voor het eerst de verkrijgingsprijs van de aandelen in [A] B.V. vast. Belanghebbende betoogde dat deze beschikking een herziening was van een eerdere beschikking, terwijl de Inspecteur dit ontkende.
Het hof oordeelt dat de beschikking van 3 december 2004 niet als herziening kan worden aangemerkt, maar als een eerste vaststelling van de verkrijgingsprijs van de aandelen in [A] B.V. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen, omdat de Inspecteur ondanks eerdere verzoeken pas in 2004 de verkrijgingsprijs vaststelde. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beschikking van 3 december 2004 wordt bevestigd als eerste vaststelling van de verkrijgingsprijs.