ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1665
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M. van der Klooster
- J.H.W. de Planque
- R. van der Vlist
- Rechtspraak.nl
Geen tussentijds appel tegen afwijzing incidentele vordering inzage bescheiden
SON heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin haar incidentele vordering ex art. 843a Rv tot inzage van bescheiden werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat SON onvoldoende belang had bij de vordering in dit stadium van de procedure, omdat zij buiten rechte al tot afwijzing van haar dekkingsplicht was gekomen.
Het hof overweegt dat het hier gaat om een tussenvonnis, waartegen hoger beroep slechts tegelijk met het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders beslist. De rechtbank heeft een verzoek tot tussentijdse appelmogelijkheid gemotiveerd afgewezen. Er is geen sprake van een definitieve afwijzing, zodat SON haar verzoek later in de procedure opnieuw kan indienen.
Het hof concludeert dat er geen goede grond bestaat om het appelverbod te doorbreken. Ook blijkt uit de toelichting van SON onvoldoende dat zij de bescheiden nu nodig heeft voor haar verweer of dat zij onredelijk nadeel ondervindt. Daarom verklaart het hof SON niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en veroordeelt haar in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: SON is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de incidentele vordering en veroordeeld in de proceskosten.