ECLI:NL:GHSGR:2010:BM4000

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.031.958
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dusamos
  • Mink
  • Van Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling partneralimentatie en draagkracht bij onvoldoende financiële gegevens

De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank waarin een voorlopige partneralimentatie van €1.500 per maand aan de vrouw is vastgesteld. De man betwist zijn draagkracht en stelt niet in staat te zijn deze bijdrage te leveren. De vrouw bestrijdt dit en bevestigt haar behoefte aan alimentatie.

Het hof beoordeelt dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie, ondanks het overleggen van diverse belastingaangiften en jaarrekeningen. Kritische kanttekeningen van de vrouw over de financiële stukken zijn niet overtuigend weerlegd. Ook ontbreekt helderheid over spaartegoeden en opbrengsten van de verkoop van paarden.

Gezien het ontbreken van bewijs dat de man niet kan betalen, handhaaft het hof de alimentatie van €1.500 per maand. Het hof vernietigt de voorlopige beschikking voor zover de alimentatie definitief moet worden vastgesteld en bepaalt dat de alimentatie vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking verschuldigd is.

De overige door partijen aangevoerde punten leiden niet tot een ander oordeel. Het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst verdere verzoeken af.

Uitkomst: De partneralimentatie wordt definitief vastgesteld op €1.500 per maand, ingaande vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 21 april 2010
Zaaknummer : 200.031.958
Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-6819
[de man],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.A.M. Koorn-Harkema te Leiden,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 23 april 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 januari 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.
De vrouw heeft op 3 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 7 juli 2009, 11 maart 2010, 12 maart 2010 en 17 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.
Op 19 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd, mr. Van Bemmel onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft mr. Van Bemmel, bij faxbericht ingekomen op 19 maart 2010, het hof het bewijs van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand doen toekomen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 25 juli 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage en de bestreden beschikking.
Bij beschikking van 25 juli 2008 is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast is de behandeling van de zaak ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud aangehouden, waarbij de man is verzocht nadere financiële stukken in te dienen en de vrouw in de gelegenheid is gesteld een verweerschrift in te dienen.
Bij de bestreden beschikking is de som welke de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking voorlopig zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 1.500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschiking op [datum] 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook te noemen: partneralimentatie.
2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat hij niet in staat is tot het leveren van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.
3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt de man (het hof leest:) niet-ontvankelijk te verklaren, althans ongegrond te verklaren.
4. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie. De man stelt dat hij niet in staat is de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw te betalen.
5. De vrouw heeft zijn stellingen gemotiveerd weersproken.
6. De behoefte van de vrouw aan de door de rechtbank bepaalde uitkering tot levensonderhoud is niet betwist, zodat deze vaststaat. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de man niet in staat is de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw te betalen en overweegt daartoe als volgt.
7. De man heeft in eerste aanleg een beperkt aantal stukken in het geding gebracht. In hoger beroep heeft hij een aantal aanvullende stukken overgelegd, waaronder de aangifte inkomstenbelasting over jaren 2004, 2005, 2006 en 2008, alsmede de belastingaanslagen over de jaren 2004, 2005 en 2007. Het hof is echter van oordeel dat de man nog steeds onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe het met zijn inkomenspositie is gesteld. De man heeft in hoger beroep weliswaar ook de jaarrekening 2008 overgelegd (productie 4 bij zijn appelschrift), maar hij heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet duidelijk gemaakt waarom deze niet volledig aansluit op de later door hem overgelegde belastingaangifte over datzelfde jaar. De enkele stelling van de man dat de eerder door hem overgelegde jaarrekening 2008 slechts een conceptversie betrof, acht het hof niet voldoende, te meer niet nu dat niet uit de stukken blijkt. De man heeft in hoger beroep voorts de concept jaarrekening 2009 overgelegd, maar de vrouw heeft ook ten aanzien van die jaarrekening kritische kanttekeningen geplaatst. De man heeft de opmerkingen van de vrouw naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Het hof is voorts van oordeel dat de man in hoger beroep heeft nagelaten voldoende inzicht en duidelijkheid te verschaffen over de hoogte van zijn spaartegoeden. Uit het door hem overgelegde financieel jaaroverzicht van ABN AMRO van 6 februari 2007 (waarvan hij alleen de tweede pagina heeft overgelegd) blijkt dat het saldo op die betreffende spaarrekening per 31 december 2005 € 29.773,40 bedroeg en per 31 december 2006 € 11.077,50. De man stelt dat hij met dit vermogen de verliezen van zijn onderneming in die jaren heeft gefinancierd. Het hof heeft dit evenwel niet kunnen niet verifiëren. Datzelfde geldt voor de spaarrekening met een saldo van € 20.000,- dat volgens de man bedoeld was voor de studie van de dochter van partijen, maar welk bedrag volgens zijn zeggen inmiddels is opgegaan in zijn onderneming. Ook van de door de man gestelde uittreding in 2006 uit een maatschap blijkt niet uit de overgelegde stukken. Voorts overweegt het hof nog dat de man tot voorkort de - financiële - zorg had voor vier paarden, waarvan hij er, zo heeft hij ter zitting verklaard, in 2009 twee heeft verkocht. De man heeft het hof geen inzage verschaft in de verkoopopbrengst van deze twee paarden. Nu de man niet het tegendeel heeft aangetoond moet het ervoor gehouden worden dat hij in staat is de door rechtbank vastgestelde uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te betalen. Aan de door de man overgelegde brief van de gemeente van 13 april 2007 - die de man heeft overgelegd ter staving van zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft - gaat het hof voorbij, nu daaruit niet blijkt hoe de gemeente de draagkracht van de man heeft berekend en evenmin wat de actuele stand van zaken met betrekking tot de verhaalsbijdrage ten laste van hem is.
8. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud van € 1.500,- per maand zal voldoen. Het hof stelt evenwel vast dat de rechtbank in het dictum van de bestreden beschikking heeft bepaald dat de man ‘voorlopig’ een bedrag van € 1.500,- per maand tot levensonderhoud zal verstrekken aan de vrouw. Het hof leest het dictum van de bestreden beschikking aldus, dat de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, ten laste van de man, (definitief) is vastgesteld op een bedrag van € 1.500,- per maand. Bovendien is deze uitkering eerst met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand verschuldigd. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.
9. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
10. Mitsdien beslist het hof als volgt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende;
bepaalt de door de man met ingang van [datum] 2009 aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud op € 1.500,- per maand, voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Mink en Van Veen, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2010.