ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5037
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Mink
- Mos-Verstraten
- Van Dijk
- Rechtspraak.nl
Geen teruggeleiding van kind naar Polen bij internationale kinderontvoering wegens ontbreken daadwerkelijke uitoefening gezag vader
In deze zaak staat het verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige naar Polen centraal, ingediend door de vader via de Centrale Autoriteit. De moeder had de minderjarige naar Nederland gebracht, waar het kind verbleef zonder terug te keren op de afgesproken datum. Het hof toetste of de vader zijn ouderlijk gezag daadwerkelijk uitoefende op het moment van de niet-terugkeer, zoals vereist op grond van artikel 3 lid 1 onder Pro b van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV).
De rechtbank had het verzoek tot teruggeleiding afgewezen en het hof bevestigde dit oordeel. Hoewel het gezag gezamenlijk was toegekend, bleek uit verklaringen van de moeder, het kind en familieleden dat de vader geen actieve rol had in de dagelijkse verzorging, opvoeding of emotionele ontwikkeling van de minderjarige. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de vader zijn gezagsrecht daadwerkelijk zou hebben uitgeoefend indien het kind naar Polen was teruggekeerd.
Het hof benadrukte dat daadwerkelijke uitoefening van gezag niet vereist dat de ouder het kind feitelijk verzorgt, maar wel dat hij zich aantoonbaar met de belangen van het kind bezighoudt. Dit was in deze zaak niet het geval. De vader was niet aanwezig bij de zitting en had onvoldoende bewijs geleverd van betrokkenheid. Daarom werd het verzoek tot teruggeleiding afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Polen af wegens het ontbreken van daadwerkelijke uitoefening van het gezagsrecht door de vader.