ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9280

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.024.835-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kamminga
  • Mink
  • Hulsebosch
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en toewijzing gezag aan vader in belang minderjarigen

In deze zaak stond het gezag over twee minderjarige kinderen centraal. De vader was in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die hem niet alleen met het gezag wilde belasten. Het geschil betrof de vraag of het gezamenlijk gezag gehandhaafd kon blijven, gezien de slechte communicatie tussen de ouders.

Het hof constateerde dat de communicatie tussen de ouders al geruime tijd slecht verliep, ondanks begeleiding van Jeugdzorg. Belangrijke beslissingen over de minderjarigen konden niet gezamenlijk worden genomen, wat leidde tot een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem zouden raken tussen de ouders. De moeder stelde dat communicatie via haar advocaat mogelijk was, maar het hof achtte dit onvoldoende voor een gezonde gezagsuitoefening.

Gezien deze omstandigheden oordeelde het hof dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk was het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag aan de vader toe te wijzen. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het gezag aan de vader alleen toegekend. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffiers werden opgedragen hiervan mededeling te doen.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag over de minderjarigen wordt beëindigd en het gezag wordt aan de vader alleen toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 24 maart 2010
Zaaknummer : 200.024.835/01
Rekestnr. rechtbank : 08-5536
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.W. Kuiper te Rijswijk,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen.
Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,
kantoorhoudende te Naaldwijk,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
verder: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 11 februari 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
12 november 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend, maar heeft ter terechtzitting verweer gevoerd.
Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 6 juli 2009 en 31 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.
De raad heeft het hof bij brief van 16 februari 2010 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
Van de zijde van Jeugdzorg is op 16 februari 2010 een faxbericht ingekomen, waarin onder meer is meegedeeld dat zij niet ter terechtzitting zal verschijnen.
Op 18 februari 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.
De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is op 5 maart 2010 in raadkamer gehoord.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is het verzoek van de vader - te bepalen dat hij alleen met het ouderlijk gezag over de hierna te noemen minderjarigen zal worden belast - afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is het gezag over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren in 1996 te [geboorteplaats], verder: [minderjarige 1];
- [minderjarige 2], geboren in 2000 te [geboorteplaats], verder: [minderjarige 2];
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is inmiddels geëindigd; [minderjarige 2] staat nog onder toezicht.
2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hem alleen met het ouderlijk gezag te belasten.
3. De vader stelt zich – kort samengevat - op het standpunt dat de communicatie tussen hem en de moeder zeer stroef verloopt. Hij verwacht niet dat hierin nog verbetering zal komen, nu allerlei pogingen daartoe hebben gefaald. Volgens de vader wenst de moeder niet mee te werken aan diverse belangrijke zaken omtrent de minderjarigen. De communicatieproblemen tussen de ouders brengen een onaanvaardbaar risico mee dat de minderjarigen klem raken tussen de ouders, aldus de vader. Hij vreest voor hun belangen.
4. De moeder heeft ter terechtzitting verweer gevoerd en gesteld dat de minderjarigen niet klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Dat de communicatie tussen de ouders niet goed verloopt, wijt de moeder aan de opstelling van de vader. De communicatie kan volgens haar verbeterd worden indien deze via haar advocaat verloopt.
5. Jeugdzorg heeft in voormelde faxbrief van 18 februari 2010 naar voren gebracht dat de bezoekregeling van [minderjarige 1] aan zijn moeder op zijn verzoek is beëindigd en dat na overleg met beide ouders de bezoekregeling tussen de moeder en [minderjarige 2] is opgeschort. Jeugdzorg heeft een verzoek bij de rechtbank ingediend tot opschorting van de omgangsregeling.
6. Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat ouders die tijdens het huwelijk gezamenlijk gezag hebben, dit gezamenlijk gezag behouden. Ingevolge het (gewijzigde) artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de rechter het gezamenlijk gezag zoals bedoeld in artikel 1:251a, eerste lid BW beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Bepaald kan worden dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
7. Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat de communicatie tussen de ouders reeds geruime tijd slecht verloopt. Mede gelet daarop zijn de minderjarigen onder toezicht van Jeugdzorg gesteld. Zelfs onder begeleiding van Jeugdzorg is het voor de ouders niet mogelijk geweest om met betrekking tot belangrijke beslispunten
- zoals de afwikkeling van de schadeletselzaak van [minderjarige 1], de verkrijging van zijn identiteitsbewijs, de schoolkeuze van [minderjarige 2] en de behandeling van haar dyslexie – in gezamenlijk overleg een beslissing te nemen en deze zaken te regelen. Van een gezamenlijke gezagsuitoefening kan geen sprake zijn, indien de daartoe nodige communicatie uitsluitend via de advocaat van de moeder dan wel tussen de advocaten van partijen zou kunnen verlopen. Het hof acht de ouders derhalve niet in staat aan het gezamenlijk gezag een invulling te geven die niet belastend zal zijn voor de kinderen en verwacht niet dat hierin binnen afzienbare tijd verandering zal komen. Onder deze omstandigheden acht het hof het niet verantwoord het gezamenlijk gezag van de ouders te laten voortduren. Het is derhalve in het belang van de minderjarigen noodzakelijk, dat het gezag over hen aan de vader alleen toekomt. Het hof gaat er van uit dat de vader aan de moeder informatie over de minderjarigen zal verschaffen.
8. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en het gezamenlijk gezag over de minderjarigen beëindigen en bepalen dat voortaan aan de vader alleen het gezag over de minderjarigen toekomt.
BESLISSING OP HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:
beëindigt het gezamenlijk gezag over de minderjarigen en bepaalt dat voortaan aan de vader alleen het gezag over de minderjarigen toekomt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage en de griffier van de rechtbank Arnhem;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mink en Hulsebosch, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2010.