ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9610

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
29 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.007.762-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over invulling leemte in Sociaal Plan en vergoeding werknemer

In deze zaak stond de invulling van een leemte in het Sociaal Plan centraal, waarbij de werknemer een vergoeding vorderde na het beëindigen van zijn dienstverband bij E.ON. Het hof heeft vastgesteld dat de werknemer recht heeft op 70% van de in het Sociaal Plan bedoelde formule, wat neerkomt op een bruto bedrag van circa €22.145. Hierbij is rekening gehouden met de mate van onzekerheid die de werknemer heeft ervaren en de mogelijkheid om binnen E.ON een andere functie te vinden.

Het hof oordeelde verder dat de uitdiensttredingsdatum, gelet op de ontslagbrief en de daaropvolgende communicatie, correct is vastgesteld op 30 juni 2006. Daarnaast verwierp het hof het argument van E.ON dat het Sociaal Plan geen uitkering zou toekennen aan werknemers die pas ontslag nemen nadat zij een andere baan hebben gevonden, omdat het plan daarin niet voorziet.

De werknemer had onvoldoende gesteld omtrent buitengerechtelijke kosten, zodat deze niet werden toegewezen. De wettelijke rente werd toegekend vanaf 1 juli 2006, de dag na het einde van het dienstverband. Omdat beide partijen op wezenlijke punten in het ongelijk zijn gesteld, werden de proceskosten in beide instanties gecompenseerd. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees het hoger beroep van de werknemer toe.

Uitkomst: Het hof veroordeelt E.ON tot betaling van €22.145 bruto aan de werknemer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2006.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 200.007.762/01
Rolnummer rechtbank : 806290\CV EXPL 07-15239
arrest van de negende civiele kamer d.d. 29 juni 2010
inzake
[de werknemer],
wonende te [Woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [de werknemer],
advocaat: mr. J. Roeloff te Zoetermeer,
tegen
E.ON BENELUX N.V., voorheen genaamd E.ON BENELUX GENERATION N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: E.ON,
advocaat: mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage.
Het geding in hoger beroep (vervolg)
In vervolg op het tussenarrest van 30 maart 2010 heeft op 1 juni 2010 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Tot slot hebben partijen (opnieuw) de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep (vervolg)
1. De in voormeld tussenarrest aangeduide leemte wordt door het hof aldus ingevuld dat aan [de werknemer] een vergoeding toekomt van 70% van de in het Sociaal Plan bedoelde formule (die, zoals bij de comparitie is besproken uitkomt op € 31.635,=), hetgeen resulteert in een bedrag van afgerond € 22.145,= bruto. Daarbij zijn de in het tussenarrest vermelde omstandigheden in aanmerking genomen. Voorts is daarbij - veel - gewicht toegekend aan het feit dat [de werknemer] weliswaar in onzekerheid heeft verkeerd omtrent zijn dienstverband, maar - naar het oordeel van het hof - in minder sterke mate dan gold voor degenen die wel reeds de bevestiging hadden ontvangen dat zij individueel boventallig waren en voor wie de daaraan gekoppelde datum gaandeweg dichterbij kwam. Ook bleef voor [de werknemer] op zich de mogelijkheid van het vinden van een andere functie binnen E.ON bestaan. Dit alles tegen elkaar afwegend en in onderlinge samenhang beschouwd acht het hof toepassing van de regeling van art. 8.4.4. van het Sociaal Plan toch als meest passend voor de situatie van [de werknemer] in aanmerking te komen, waarbij dan de daarin sub C) bedoelde "tranche" (70% van de formule) moet worden aangehouden. Dit laatste omdat in de kennisgeving aan het personeel als streefdatum voor de vervolgmededeling januari 2006 werd vermeld, zodat - rekening houdend met enige vertraging daarin - de onzekerheid voor [de werknemer] in afwijking van het Sociaal Plan feitelijk begin maart van 2006 aanving. De uitdiensttredingsdatum als gevolg van zijn ontslagname - die het hof in het kader van de toepassing van het Sociaal Plan gelet op zijn ontslagbrief opvat als 30 juni 2006 om 24.00 uur - viel in de vierde maand nadien.
2. Naar het oordeel van het hof heeft E.ON onvoldoende gesteld om te oordelen dat in dit geval geen sprake is van een vooraf in voldoende mate met haar afgestemde ingangsdatum van de uitdiensttreding, dit gelet op de inhoud van de ontslagbrief ("overeenkomstig het met u besprokene") en de reactie daarop van E.ON ("Naar aanleiding van Uw verzoek ….delen wij u mede dat wij u met ingang van 1 juli 2006 ontslag uit onze dienst verlenen"), vgl. het tussenarrest sub 2.5. resp. 2.7.
3. Voorts verwerpt het hof het argument van E.ON dat het Sociaal Plan niet tot een uitkering aan [de werknemer] kan leiden omdat hij pas ontslag nam nadat hij een andere baan had gevonden. De opzet van het Sociaal Plan is naar het oordeel van het hof zodanig dat zich diverse gevallen kunnen voordoen waarin iemand pas ontslag neemt na het vinden van een andere baan en waarbij het Sociaal Plan niet voorziet in enige beperking op dat punt. Er is dan ook geen reden om in het geval van [de werknemer] anders te oordelen.
4. Door [de werknemer] is onvoldoende gesteld om te oordelen dat sprake is geweest van buitengerechtelijke kosten waarvoor de proceskosten niet reeds een vergoeding plegen in te sluiten.
5. De wettelijke rente, die als zodanig niet is weersproken, is toewijsbaar met ingang van 1 juli 2006, nu onvoldoende is gesteld om te oordelen dat de onder 1. bedoelde vergoeding eerder dan bij het einde van het dienstverband had dienen te worden betaald, zodat de wettelijke rente eerst vanaf dat tijdstip verschuldigd is.
6. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de grieven in zoverre slagen en dat het vonnis van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Nu beide partijen op wezenlijke punten in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten - in beide instanties - worden gecompenseerd.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis waarvan beroep;
- veroordeelt E.ON om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de werknemer] te betalen een bedrag van € 22.145,= bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 1 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;
- compenseert de kosten van het geding - in eerste aanleg en in hoger beroep - aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, M.C.M. van Dijk en V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2010 in aanwezigheid van de griffier.