ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1854

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.035.072.01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Haan-Boerdijk
  • Husson
  • Van der Burght
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontheffing ouderlijk gezag wegens ongeschiktheid moeder

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Dordrecht die haar ontheft van het ouderlijk gezag over haar drie minderjarige kinderen en Jeugdzorg benoemt tot voogd. De moeder betwist de gronden voor de ontheffing en stelt dat het belang van haar negatieve gevoelens zwaarder had moeten wegen. Ook betwist zij dat de bedreiging voor de kinderen door ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende wordt afgewend.

De raad voor de kinderbescherming en Jeugdzorg voeren verweer en benadrukken dat de kinderen ernstige emotionele en hechtingsproblemen hebben en dat de moeder niet in staat is te voorzien in hun verzorging en opvoeding. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en stelt vast dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om haar opvoedingsplicht te vervullen. De kinderen hebben behoefte aan rust, veiligheid, duidelijkheid en structuur.

Het hof oordeelt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen af te wenden, mede omdat de moeder de kinderen in verwarring brengt door hen hoop op terugkeer te geven. Daarom bekrachtigt het hof de beschikking tot ontheffing van het gezag en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontheffing van het ouderlijk gezag en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 2 juni 2010
Zaaknummer : 200.035.072/01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-7068 en FA RK 09-7069
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht,
tegen
de raad voor de kinderbescherming,
regio Zuid-Holland Zuid & Zeeland,
locatie Dordrecht,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbende is aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,
gevestigd te Dordrecht,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 25 mei 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 maart 2009 van de rechtbank Dordrecht.
De raad heeft het hof op 3 juli 2009 de raadsrapportage van 13 januari 2009 toegestuurd.
Van de zijde van de moeder is bij het hof op 15 juli 2009 een aanvullend stuk ingekomen.
Van de zijde van Jeugdzorg is bij het hof op 4 mei 2010 een aanvullend stuk ingekomen.
Op 6 mei 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens Jeugdzorg: de heer G. Kolkman, mevrouw T. Verweij en mevrouw P. Tieleman. Voorts is verschenen namens de raad: mevrouw T. Philippart.
De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord. Daarbij was als begeleidster aanwezig mevrouw [naam begeleidster].
Ter terechtzitting heeft de moeder haar subsidiaire verzoek, om te bepalen dat de thans functionerende omgangsregeling tussen haar en de minderjarige [naam minderjarige 2 en minderjarige 1] in stand dient te worden gelaten en dat goed contact tussen haar en de minderjarigen in belang van de minderjarigen is, ingetrokken.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de moeder van het gezag over de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] en [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen), ontheven en is Jeugdzorg benoemd tot voogd over de minderjarigen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarigen.
2. Nu de moeder haar subsidiaire verzoek heeft ingetrokken, behoeft hierop niet meer te worden beslist.
3. De moeder verzoekt thans nog de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het verzoek tot ontheffing van de moeder van het gezag af te wijzen.
4. De moeder kan zich niet verenigen met de ontheffing van het ouderlijk gezag. Zij stelt in haar eerste tot en met haar vijfde grief – onder meer – dat de rechtbank het belang van de negatieve gevoelens van de moeder zwaarder had moeten laten wegen dan thans is gebeurd. Het is in het belang van de minderjarigen dat zij een moeder hebben en dat het goed gaat met haar. Verder betoogt zij dat zij bij de rechtbank wel heeft weersproken dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing nog onverminderd aanwezig zijn, en betwist zij dat de bedreiging van de minderjarigen door de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing in onvoldoende mate wordt afgewend. Ook betwist de moeder dat zij de minderjarigen in verwarring en een loyaliteitsconflict brengt door hen te laten weten dat zij hoopt op hun terugkeer.
5. De raad heeft ter terechtzitting verweer gevoerd en – onder meer – gesteld dat uit een rapport van FORA van augustus 2007 is gebleken dat de minderjarigen forse emotionele problemen hebben en dat bij hen sprake is van hechtingsproblematiek. Daarnaast is de moeder niet in staat om de minderjarigen te geven wat zij nodig hebben voor hun verzorging en opvoeding. Volgens de raad hebben de minderjarigen recht op rust.
6. Jeugdzorg is van mening dat de minderjarigen zich in een leefomgeving bevinden die veiligheid en rust brengt. Bij het wegvallen van de ontheffing bestaat volgens Jeugdzorg de kans dat met de moeder weer strijd ontstaat in de besluitvorming met betrekking tot de minderjarigen omdat de moeder die dan vanuit haar herziene status gerechtvaardigd acht. Deze strijd zal weer onrust geven bij de minderjarigen.
Jeugdzorg betoogt verder dat nu de moeder ontlast is van de verantwoordelijkheid ten aanzien van de minderjarigen zij zonder strijd positief bekrachtigd kan worden in haar moederrol.
7. Het hof overweegt als volgt. Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt dat gebleken is dat de minderjarigen forse emotionele problemen zoals hechtingsproblemen hebben en dat zij in hun opvoedingssituatie veel veiligheid, duidelijkheid, grenzen en structuur nodig hebben. Gebleken is dat de moeder de minderjarigen niet kan bieden wat zij nodig hebben en dat zij geen inzicht heeft in haar (on)mogelijkheden om voor de minderjarigen te zorgen. Mede gelet op de problematiek van de minderjarigen moet de moeder ongeschikt en onmachtig worden geacht om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen zijn onvoldoende om de bedreiging van de ontwikkeling bij de minderjarigen af te wenden nu de moeder tegenover de minderjarigen uit dat zij hoopt op hun terugkeer naar haar, waardoor zij de minderjarigen in verwarring brengt ten aanzien van hun toekomstperspectief.
8. Gelet op het bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Husson en Van der Burght, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010.