ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3597
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- W.P.C.M. Bruinsma
- I.P.A. van Engelen
- G.J. Fleers
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs na schending recht op advocaat in zedenzaken
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor meerdere zedendelicten gepleegd op zijn kleinkinderen tussen 1987 en 2006. In hoger beroep is vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan het verhoor op 15 mei 2006 niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen, noch was een advocaat aanwezig tijdens dat verhoor. Dit is in strijd met de eisen voortvloeiend uit de zaak Salduz van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
De bekennende verklaring van verdachte is daarom uitgesloten als bewijs. Naast de aangiftes, verklaringen en studioverhoren van de (klein)kinderen, die allen uit één bron voortkomen, is er geen aanvullend steunbewijs. De deskundigenrapporten kunnen niet als bewijs worden gebruikt. Hierdoor ontbreekt het wettig bewijs voor de tenlastegelegde feiten.
De advocaat-generaal had gevorderd dat verdachte vrijgesproken zou worden van enkele feiten en veroordeeld voor andere, maar het hof oordeelt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijkheid niet kan inroepen wegens interne instructies. Het hof vernietigt het vonnis en spreekt verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten wegens gebrek aan bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs na schending van het recht op advocaat voorafgaand aan verhoor.