ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4412
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Dijk
- Stille
- Stollenwerck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wettelijke gemeenschap van goederen en verdeling bij helfte bij echtscheiding
In deze zaak staat centraal of tussen partijen een gemeenschap van goederen bestaat en hoe deze verdeeld moet worden na ontbinding van het huwelijk. De man betoogt dat partijen een rechtskeuze voor Oekraïens huwelijksvermogensrecht hebben gemaakt en dat daardoor geen gemeenschap van goederen geldt. Tevens stelt hij dat bijzondere omstandigheden een afwijking van de verdeling bij helfte rechtvaardigen.
Het hof oordeelt dat partijen geen geldige rechtskeuze hebben gedaan conform het Haags huwelijksvermogensverdrag 1978. De overeenkomst van 18 april 2004 kan niet worden aangemerkt als een ondubbelzinnige rechtskeuze en voldoet niet aan de vormvereisten. Omdat partijen hun eerste gewone verblijfplaats in Nederland hadden, is Nederlands recht van toepassing, waardoor zij gehuwd zijn in de wettelijke gemeenschap van goederen.
De man voert aan dat hij vermogen inbracht en de vrouw niet, en dat de verdeling daarom niet gelijk moet zijn. Het hof stelt dat de door hem aangevoerde omstandigheden niet uitzonderlijk zijn en geen afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Ook de door de man genoemde lening wordt niet betrokken bij de verdeling, omdat hij niet heeft verzocht om verrekening. De waarde van de woning wordt vastgesteld op €250.000,-, de waarde bij ontbinding van het huwelijk.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep van de man af, waardoor de verdeling van de gemeenschap bij helfte blijft gelden.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep van de man af, waardoor de verdeling van de gemeenschap bij helfte blijft gelden.