ECLI:NL:GHSGR:2010:BN8730
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- De Haan-Boerdijk
- Hulsebosch
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek internationale omgangsregeling wegens ernstig nadeel voor minderjarige
De zaak betreft het verzoek van de vader om een omgangsregeling met zijn minderjarige zoon vast te stellen. De minderjarige woont bij de moeder, die het gezag uitoefent. Het hof beoordeelt het verzoek zowel vanuit de situatie van gezamenlijk gezag als vanuit het alleengezag van de moeder, zonder de gezagskwestie te beslechten.
De raad voor de kinderbescherming adviseert het hof om het omgangsverzoek af te wijzen omdat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de minderjarige. De moeder en de minderjarige worden als onvoldoende stabiel beoordeeld om omgang met de vader te ondersteunen. De moeder heeft het verleden met de vader niet verwerkt en mist de draagkracht om haar zoon te begeleiden in contact met de vader. De minderjarige is te jong en te afhankelijk van de moeder.
Het hof stelt vast dat de vader belang heeft bij omgang, maar dat het verzoek niet in het belang van het kind is. Het hof ziet geen aanleiding tot beschermingsmaatregelen zoals een ondertoezichtstelling. De vader handhaaft zijn verzoek, maar dringt niet langer aan op een bindende omgangsregeling. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en wijst het verzoek af. Tevens wordt de vergoeding van de deskundige vastgesteld en betaald uit de rijkskas.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot vaststelling van een internationale omgangsregeling af wegens ernstig nadeel voor de minderjarige.