ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1006

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
29 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
22-006740-08
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorwaardelijk opzet op bezit van heroïne en cocaïne

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk verkopen en bezitten van heroïne en cocaïne. In hoger beroep heeft het hof het verkoopfeit vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs, maar het bezit van ongeveer 5,70 gram heroïne en 2,75 gram cocaïne werd bewezen verklaard. De verdachte had het tasje met drugs bewust aangenomen van een medeverdachte die vluchtte voor de politie, waarmee het hof het voorwaardelijk opzet aannam.

De raadsvrouw van de verdachte voerde aan dat er geen opzet was, ook niet voorwaardelijk, maar dit verweer werd verworpen omdat de verdachte de aanmerkelijke kans had aanvaard dat hij drugs in bezit had. Het hof oordeelde dat het bewezenverklaarde feit een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid en maatschappelijke rust.

Gezien de persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordeling van de verdachte, legde het hof een taakstraf van 20 uur op, met een vervangende hechtenis van 10 dagen bij niet-nakoming. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van verkoop, veroordeeld tot taakstraf van 20 uur voor bezit van heroïne en cocaïne met voorwaardelijk opzet.

Uitspraak

Rolnummer: 22-006740-08
Parketnummer: 10-693508-08
Datum uitspraak: 29 september 2010
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 11 december 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1970,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 september 2010.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 05 september 2008 te Rotterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd één of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 05 september 2008 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,70 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 2,75 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Het hof is - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat gelet op de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit buiten redelijke twijfel kan worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 tenlastegelegde.
Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 05 september 2008 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,70 gram, van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 2,75 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte weliswaar drugs in zijn bezit had, maar dat hij die drugs niet opzettelijk voorhanden heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, zodat hij van het hem onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Naar het oordeel van het hof is op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zich door het aanpakken en in zijn zak stoppen van het door [medeverdachte] in zijn vlucht voor de politie aangegeven tasje, schuldig zou maken aan het voorhanden hebben van drugs als bedoeld in artikel 2, onder C, van de Opiumwet en dat hij derhalve daartoe het voorwaardelijk opzet heeft gehad.
Het hof heeft hierbij in het bijzonder gelet op de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van
15 september 2010 afgelegde verklaring, namelijk dat de verdachte de persoon van wie hij het zakje met drugs in ontvangst nam kende en wist dat deze zich bezighield met de handel in drugs alsmede dat hij dit zakje van deze persoon aannam, toen deze hem het zakje al rennend en zonder nadere uitleg in handen gaf.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van heroïne en cocaïne. Een dergelijk misdrijf draagt bij aan de handel in en het gebruik van harddrugs, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, wordt bevorderd. Dit veroorzaakt veel schade en onrust en is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar.
Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 september 2010, is de verdachte eenmaal eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 10 (tien) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.A. de Groot, mr. T.E. van der Spoel en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. M. Wegter.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 september 2010.