ECLI:NL:GHSGR:2010:BO6961
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- C.G.M. van Rijnberk
- D.J.C. van den Broek
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ontnemingsvordering wegens cocaïnecontainers afgewezen wegens ontbreken wederrechtelijk voordeel
In deze ontnemingszaak stond centraal of de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten uit de bewezenverklaarde feiten omtrent de vondst van twee containers met cocaïne op 4 en 9 maart 2004. De rechtbank had eerder een betalingsverplichting opgelegd, maar het hof stelde vast dat de cocaïne was vernietigd en dat de veroordeelde geen voordeel had genoten uit deze feiten.
De advocaat-generaal had in hoger beroep een hogere ontnemingsvordering ingediend, gebaseerd op een strafrechtelijk financieel onderzoek waaruit onverklaarbaar vermogen bleek. Het hof oordeelde echter dat dit vermogen niet kon worden toegerekend aan strafbare feiten, aangezien de veroordeelde voor andere feiten was vrijgesproken en er geen aanwijzingen waren voor andere strafbare feiten.
De verdediging voerde aan dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen vanwege schending van de onschuldpresumptie en overschrijding van de redelijke termijn. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van het openbaar ministerie af, waarmee de betalingsverplichting kwam te vervallen.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.