ECLI:NL:GHSGR:2010:BP2719

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.052.639.01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • van Nievelt
  • Stille
  • Stollenwerck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 270 RvArt. 362 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verklaart zich onbevoegd en verwijst zaak naar gerechtshof Amsterdam

In deze zaak is de vader in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Utrecht. De moeder heeft een verweerschrift ingediend waarin zij tevens incidenteel hoger beroep instelde en de relatieve bevoegdheid van het hof betwist.

Het geschil betreft de relatieve competentie van het hof om kennis te nemen van het hoger beroep. Volgens de hoofdregel behoort het gerechtshof Amsterdam bevoegd te zijn, omdat de rechtbank Utrecht de beschikking heeft gegeven. De moeder betwist echter dat het hof in Den Haag bevoegd is en stelt dat het gerechtshof Arnhem bevoegd is.

Het hof overweegt dat de beoordeling van relatieve competentie een kwestie van openbare orde is en dat de wetsgeschiedenis geen aanleiding geeft om hiervan af te wijken. Het hof verklaart zich daarom onbevoegd en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, dat wel bevoegd is. Het gerechtshof Arnhem is niet bevoegd.

Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 20 oktober 2010
Zaaknummer : 200.052.639.01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-4059
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, tevens incidenteel verweerder,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie te ’s-Gravenhage,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep, tevens incidenteel verzoekster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. T.C.P. Christoph te Woerden.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht, regio Utrecht, locatie Utrecht,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 23 december 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 september 2009 van de rechtbank Utrecht.
De moeder heeft op 22 maart 2010 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend.
Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 17 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de raad is bij het hof op 16 september 2010 een brief ingekomen, met als bijlage het raadsrapport van 16 juni 2010.
RELATIEVE BEVOEGDHEID VAN HET HOF
1. De vader is in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Utrecht, zodat volgens de regels van relatieve competentie het gerechtshof te Amsterdam bevoegd is om van het beroepschrift kennis te nemen. Hoofdregel is dat de rechter zijn relatieve bevoegdheid ambtshalve toetst. In afwijking van voornoemde hoofdregel is echter in artikel 270 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), welk artikel ingevolge artikel 362 Rv Pro ook in hoger beroep van toepassing is, bepaald dat in zaken met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed, ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed en ontbinding van een geregistreerd partnerschap en daarmee verband houdende verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening of een nevenvoorziening, een verwijzing slechts plaatsvindt indien de andere echtgenoot of geregistreerde partner de bevoegdheid betwist. De moeder heeft de bevoegdheid van dit hof in dit hoger beroep in haar verweerschrift betwist en zij is van mening dat het gerechtshof te Arnhem in deze bevoegd is om van het bij dit hof ingediende beroepschrift kennis te nemen.
2. Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van de relatieve competentie is bepalend de beslissing van de Hoge Raad van 27 januari 1984 (NJ 1984, 399), die betrekking had op een met een dagvaarding ingeleide (kort-geding-)procedure. Daarbij is beslist dat de beoordeling van de relatieve competentie in hoger beroep een kwestie van openbare orde is. Niet valt in te zien dat in een verzoekschriftprocedure anders geoordeeld zou moeten worden. Uit de wetsgeschiedenis op artikel 270 Rv Pro blijkt niet dat de wetgever heeft willen breken met de op dat moment geldende rechtspraak. Het hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen in de stand waarin het geding zich thans bevindt naar het gerechtshof te Amsterdam als het bevoegde hof voor verdere afdoening en niet naar het gerechtshof te Arnhem, dat evenmin bevoegd is.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen;
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem.
Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Stille en Stollenwerck, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2010.