ECLI:NL:GHSGR:2010:BP3748
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake directe en indirecte discriminatie bij functiewaardering en beloning
De werkneemster is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de kantonrechter dat haar vordering tot een hogere beloning wegens vermeende discriminatie afwees. Zij stelde dat zij direct en indirect gediscrimineerd werd bij de inschaling en beloning in een (L)B functie, terwijl zij werkzaamheden op (L)C niveau verrichtte.
De Commissie gelijke behandeling (CGB) had eerder geoordeeld dat sprake was van verboden onderscheid op grond van geslacht, mede gebaseerd op een rapport van een onafhankelijke functiewaarderingsdeskundige. De Aloysiusstichting voerde echter gemotiveerd verweer, onder meer met kritiek op de statistische onderbouwing van het rapport.
Het hof oordeelde dat de werkneemster onvoldoende feiten had gesteld die een vermoeden van indirecte discriminatie konden rechtvaardigen, mede omdat zij geen concreet bewijsaanbod had gedaan na de gemotiveerde betwisting door de werkgever. Ook voor directe discriminatie was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij werkzaamheden verrichtte die een hogere beloning rechtvaardigden, mede gelet op de aanwezigheid van mannelijke collega's in vergelijkbare situaties.
Het hof concludeerde dat de werkneemster onvoldoende feiten had gesteld om de stelling van discriminatie te ondersteunen en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Zij werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van de werkneemster af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.