ECLI:NL:GHSGR:2010:BQ6905
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Th. Groeneveld
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening spaartegoeden kinderen en huurschuld bij belastbaar inkomen sparen en beleggen
Belanghebbende betwistte de aanslag inkomstenbelasting 2006 waarbij de Inspecteur de helft van de spaartegoeden van haar minderjarige kinderen bij haar belastbaar inkomen uit sparen en beleggen had geteld en de huurschuld buiten beschouwing liet wegens de drempel van artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de proceskosten aan haar toegekend. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het hof overwoog dat het geld op de bankrekeningen op naam van de kinderen stond en daarom aan hen toebehoorde, maar dat op grond van artikel 2.15 Wet IB 2001 bij gezamenlijk ouderlijk gezag de rendementsgrondslag van de kinderen gelijkelijk aan de ouders wordt toegerekend. De huurschuld werd terecht niet in aanmerking genomen omdat deze onder de drempel van € 2.700 bleef.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de bezwaren van belanghebbende af, waaronder haar stelling dat sprake zou zijn van dubbele belastingheffing en strijd met beginselen van behoorlijk bestuur. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt gehandhaafd.