ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5549

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
5 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.068.393-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Lückers
  • Stille
  • Mertens-de Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377g BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijf minderjarige bij vader na scheiding met gezamenlijk gezag

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Dordrecht die het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader heeft vastgesteld. De moeder verzocht om een zorgverdelingsregeling conform eerdere afspraken en betwistte dat de minderjarige bevoegd is om wijziging van verblijfplaats te verzoeken.

De vader verzocht het beroep af te wijzen en de beschikking te bekrachtigen. De bijzondere curator en de minderjarige zelf gaven aan dat het kind zijn hoofdverblijf bij de vader wenst te houden en dat een wijziging niet in zijn belang is.

Het hof heeft de minderjarige gehoord en oordeelt dat de rechtbank terecht het verzoek van de minderjarige ontvankelijk heeft verklaard. Gezien de standvastige wens van de minderjarige, zijn leeftijd (15 jaar), en de verstoorde verhouding tussen ouders, acht het hof het niet in het belang van het kind om de hoofdverblijfplaats te wijzigen.

Daarom wordt de bestreden beschikking bekrachtigd, waarbij het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader blijft en het weekendverblijf bij de moeder gehandhaafd wordt. Het hof benadrukt het belang van verbetering van de verstandhouding tussen ouders in het belang van de kinderen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 5 januari 2011
Zaaknummer : 200.068.393/01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-9080
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.E. Visser te Alblasserdam,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1. [belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A. Apistola te Zwijndrecht;
2. mr. A.A.J. de Nijs,
kantoorhoudende te Rotterdam,
bijzondere curator over [naam en geboortedatum minderjarige] te [woonplaats] (hierna: [roepnaam]),
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht,
regio Zuid-Holland Zuid en Zeeland,
locatie te Dordrecht,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 9 juni 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 maart 2010 van de rechtbank Dordrecht.
De vader heeft op 21 juli 2010 een verweerschrift ingediend.
De raad heeft het hof bij brief van 26 juli 2010 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
Bij beschikking van 11 november 2010 van dit hof is mr. A.A.J. de Nijs tot bijzondere curator over de na te noemen minderjarige benoemd.
Op 12 november 2010 is de zaak – tezamen met de zaak met zaaknummer 200.051.554 –mondeling behandeld. Verschenen zijn: partijen en hun advocaten, en de bijzondere curator. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De minderjarige [roepnaam] is in raadkamer gehoord.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 14 januari 2004, de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:
- de minderjarige zal zijn hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en één weekend per veertien dagen bij de moeder verblijven.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarige [naam en geboortedatum minderjarige] te [woonplaats], roepnaam [roepnaam].
2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat een zorgverdelingsregeling geldt, zoals door de ouders overeengekomen en door het hof bepaald eind april 2004, althans, opnieuw beschikkende, te bepalen dat over [roepnaam] voor de procedure een bijzondere curator wordt benoemd in de persoon van mr. A.A.J. de Nijs, dan wel een ander persoon en, subsidiair, voor het geval het belang van [roepnaam] dat vereist, een (andere) duidelijke zorgverdelingsregeling [naar het hof begrijpt: vast] te stellen waaraan partijen en [roepnaam] zich hebben te houden onder verbeurte van een dwangsom, in goede justitie te bepalen. Daarnaast is de moeder van oordeel dat [roepnaam] niet bevoegd is wijziging van verblijfplaats te verzoeken.
3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt de moeder in haar appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering van gronden, te bekrachtigen en het verzoek van de moeder ten aanzien van de zorgverdelingsregeling niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, dan wel te bepalen dat [roepnaam] hoofdverblijfplaats houdt bij de vader en de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering van gronden, voor het overige te bekrachtigen.
4. De bijzondere curator is van mening dat er geen redenen zijn om het verzoek van [roepnaam] alsnog af te wijzen. Zowel [roepnaam] als zijn jongere broer [naam] zijn duidelijk in hun verlangen om hun hoofdverblijf bij de vader te hebben. Doordat de moeder dit verlangen niet serieus neemt, dreigt de verstandhouding met de moeder verstoord te raken.
5. Het hof is van oordeel dat de rechtbank [roepnaam] terecht heeft ontvangen in zijn inleidend verzoek. Ingevolge artikel 1:253a, lid 4, in verbinding met artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, indien hem blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van artikel 1:253a BW.
6. Op grond van de stukken en hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking in stand dient te blijven. Gebleken is dat [roepnaam] al ruim een jaar naar alle tevredenheid bij de vader woont en daarnaast om de week een weekend bij de moeder is. [roepnaam] is 15 jaar oud en zit thans in 4 VWO. Niet gebleken is dat de vader te kort schiet in de zorg die hij jegens [roepnaam] betracht. Wel is gebleken dat [roepnaam], evenals zijn jongere broer [naam], zeer te lijden heeft onder de verstoorde verhouding van de ouders. Het hof gaat er van uit dat de ouders zich in het belang van hun kinderen in zullen (blijven) zetten voor een verbetering van de verstandhouding. Gelet op de gegeven omstandigheden en de standvastige houding van [roepnaam] acht het hof een wijziging van hoofdverblijfplaats dan wel een andere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet in het belang van [roepnaam]. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Stille en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 januari 2011.