ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ3567
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen invoer en bezit cocaïne
Verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van invoer van circa 2020 gram cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne in zijn woning te Den Haag. Het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor een bewuste, nauwe samenwerking gericht op invoer van verdovende middelen.
Hoewel verdachte op de hoogte was van de komst van een postpakket met cocaïne, kon hieruit niet worden afgeleid dat hij opzettelijk betrokken was bij de invoer. Zijn aanwezigheid in de woning waar het pakket werd afgeleverd, en telefonische contacten vooraf, boden geen aanwijzingen voor medeplichtigheid.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. De uitspraak werd gedaan op 1 februari 2011 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen invoer en bezit van cocaïne.