4.6.De vrouw heeft zich er tevens op beroepen dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw tot betaling van de verschuldigde huur wordt aangesproken.
De vrouw beroept zich in dit verband op de volgende feiten en omstandigheden:
- de verhuurder wist dat de vrouw de echtelijke woning verlaten had en dat zij de kwesties, die met betrekking tot de echtelijke woning nog speelden, aan [A.] had overgelaten;
- de verhuurder heeft de vrouw na haar vertrek uit de woning nergens meer bij betrokken: hij heeft eind 2008 alleen aan [A.] de huur opgezegd en niet ook aan de vrouw en hij heeft alleen met [A.] afspraken gemaakt over de tijdelijke voortzetting van het gebruik en de vrouw in die afspraken niet gekend;
- de verhuurder heeft de vrouw niet in de gelegenheid gesteld om de in de huurovereenkomst opgenomen koopoptie uit te oefenen;
- de verhuurder heeft de vrouw er niet van op de hoogte gesteld dat hij van mening was dat de vrouw mede aansprakelijk was voor de huurpenningen, zodat zij geen maatregelen heeft kunnen nemen ter voorkoming van het ontstaan van een huurachterstand te harer aanzien.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De vrouw heeft bij de memorie van antwoord als productie 2 overgelegd een (niet ondertekende) brief van de verhuurder van 29 november 2008, waarin aan [A.] de huur wordt opgezegd, en een (niet ondertekend) schrijven van [A.] van 4 december 2008, waarin hij verklaart akkoord te gaan met de huuropzegging per 6 december 2008. Als productie 1 bij de conclusie van repliek, tevens akte tot vermeerdering van eis, is in eerste aanleg overgelegd een door de verhuurder en [A.] ondertekend schrijven van 4 december 2008, waaruit blijkt dat zij tot nadere afspraken gekomen zijn naar aanleiding van een huuropzegging per 6 december 2008. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen dat de verhuurder en [A.] kennelijk naar aanleiding van een huuropzegging door de verhuurder op 4 december nadere afspraken hebben gemaakt.
Aldus is komen vast te staan dat de verhuurder in december 2008 aan [A.] de huur heeft opgezegd en dat er daaropvolgend tussen de verhuurder en [A.] nadere afspraken zijn gemaakt, waaronder de afspraken dat het pand voor [A.] beschikbaar zal blijven waartegenover [A.] werkzaamheden aan de woning zal uitvoeren, dat [A.] het pand bij verkoop onmiddellijk zal verlaten zonder huuropzegging en dat na 31 december 2009 alle rechten van [A.] vervallen. Nergens wordt de vrouw genoemd.
Niet gebleken is dat de verhuurder de vrouw heeft benaderd toen hij [A.] de huur opzegde, toen hij nadere afspraken met [A.] maakte of toen [A.] achterbleef met de betaling van de huur. Voorts staat vast dat de huurachterstand waarvan thans betaling wordt gevorderd pas geruime tijd na het vertrek van de vrouw uit de woning is ontstaan.
Het hof is van oordeel dat het in het licht van deze feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw tot betaling van de verschuldigde huur wordt aangesproken.
Het hier bedoelde verweer van de vrouw slaagt dan ook.