ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ5555

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.075.725-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mink
  • Labohm
  • Breederveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Haags Alimentatieverdrag 1973Art. 11 Haags Alimentatieverdrag 1973Child Support Act 1991
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepasselijk recht en draagkracht bij vaststelling kinderalimentatie

In deze zaak stond de vaststelling van de kinderalimentatie centraal voor twee minderjarige kinderen. De vader was van mening dat Nederlands recht van toepassing moest zijn, terwijl de rechtbank had geoordeeld dat Engels recht van toepassing was vanwege de gewone verblijfplaats van de moeder en kinderen in Groot-Brittannië.

Het hof bevestigde dat op grond van het Haags Alimentatieverdrag 1973 inderdaad Engels recht van toepassing is. Wel oordeelde het hof dat het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut, waarop de rechtbank haar oordeel deels had gebaseerd, niet aan beide partijen was verstrekt, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden.

De vader voerde aan dat de Engelse Child Support Act 1991 geen rekening houdt met zijn financiële draagkracht, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 11 van Pro het Haags Alimentatieverdrag. Het hof stelde vast dat de Engelse wet vaste tarieven hanteert zonder de lasten van de onderhoudsplichtige mee te wegen.

Gezien de financiële situatie van de vader, met een netto IOAW-uitkering, aanzienlijke schulden en noodzakelijke kosten van levensonderhoud, concludeerde het hof dat hij geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen. Daarom vernietigde het hof de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de moeder af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot kinderalimentatie af wegens het ontbreken van draagkracht bij de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 27 april 2011
Zaaknummer : 200.075.725/01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-2011
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. E.B. van den Ouden te Oude Tonge, gemeente Oostflakkee,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. Th.Th.M.L. Boersema te Maassluis.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 19 oktober 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 juli 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 29 oktober 2010 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 10 februari 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 18 maart 2011 een brief van 17 maart 2011 met bijlagen;
- op 23 maart 2011 een faxbrief met bijlagen,
van de zijde van de moeder:
- op 9 maart 2011 een brief van 7 maart 2011 met bijlagen;
- op 23 maart 2011 een faxbrief met bijlagen.
De zaak is op 25 maart 2011 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de door de vader met ingang van 9 februari 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarigen bepaald op € 143,-- per maand.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren [in] 1994 te [geboorteplaats]; en
[minderjarige 2], geboren [in] 1996 te [geboorteplaats], hierna ook gezamenlijk: de minderjarigen.
2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het oorspronkelijk verzoek van de moeder wordt afgewezen.
3. De moeder heeft ter terechtzitting het beroep van de vader bestreden.
Toepasselijk recht op de onderhoudsverplichting
4. Het hof begrijpt uit het appelschrift van de vader dat hij van mening is dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op de onderhavige onderhoudsverplichting Engels recht van toepassing is.
5. De vader is van mening dat op de vaststelling van de onderhoudsverplichting jegens de minderjarigen Nederlands recht van toepassing is. De vader voert daartoe onder meer aan:
• dat de minderjarigen in Nederland zijn geboren;
• partijen tot 2005 onafgebroken in Nederland hebben gewoond.
6. De moeder meent dat de rechtbank terecht heeft beslist dat Engels recht van toepassing is.
7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 4 van Pro het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, ’s-Gravenhage 1973, ofwel het Haags Alimentatieverdrag 1973, is het Engelse recht van toepassing op de vaststelling van de onderhoudsverplichting aangezien vast staat dat de gewone verblijfplaats van de moeder en de minderjarigen in [woonplaats] (Groot-Brittanie) is.
Het inleidend verzoekschrift
8. De vader klaagt dat het inleidend verzoekschrift van de moeder niet aan de daartoe te stellen eisen voldoet en dat zij haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd.
9. De moeder stelt dat, zodra zij kon beschikken over de voor haar verzoek van belang zijnde gegevens, zij deze in het geding heeft gebracht.
10. Het hof overweegt als volgt. Met de vader is het hof van oordeel dat het inleidend verzoekschrift van de moeder bij indiening daarvan bij de rechtbank niet voldeed aan de daartoe te stellen eisen. De moeder heeft echter nadien het verzoekschrift zodanig aangevuld dat het wel voldeed aan de daaraan te stellen eisen. De vader heeft derhalve geen belang meer bij deze grief.
Hoor en wederhoor
11. De vader betoogt dat sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor aangezien hij van de rechtbank het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) gedateerd 22 maart 2010 niet heeft ontvangen terwijl de rechtbank daar mede haar oordeel op heeft gevormd.
12. De moeder stelt dat zij evenmin kennis heeft kunnen nemen van bedoelde rapportage van het IJI.
13. Het hof overweegt als volgt. Nu beide partijen het rapport niet van de rechtbank hebben ontvangen en de rechtbank mede haar oordeel op het rapport heeft gebaseerd is er sprake van schending van een fundamenteel beginsel van procesrecht namelijk het beginsel van hoor en wederhoor. In zoverre treft de grief van de vader doel.
Engels recht
14. Voor de vaststelling van de inhoud en strekking van de Child Support Act 1991 acht het hof het niet noodzakelijk dat het de beschikking heeft over het rapport van het IJI.
15. Ter zitting zijn partijen in de gelegenheid geweest om zich uit te laten over de Child Support Act 1991 (Act 1991).
16. De vader heeft ter terechtzitting gesteld dat zijn beroep, zoals te dezer zake door hem is verwoord in zijn negende grief, mede is gebaseerd op artikel 11 van Pro het Haags Alimentatieverdrag 1973. In de visie van de vader is het vaststellen van kinderalimentatie in de onderhavige zaak in strijd met voormelde bepaling aangezien naar Engels recht geen rekening wordt gehouden met zijn nijpende financiële positie en hij - indien hem een onderhoudsverplichting wordt opgelegd - vrijwel zeker in een schuldsaneringstraject terecht zal komen.
17. Hoewel voor de moeder eveneens niet duidelijk is hoe de rechtbank op basis van de Act 1991 op de door haar gehanteerde wijze van berekening van de draagkracht van de vader is gekomen, kan zij zich in deze wijze van berekening wel vinden. Ondanks het feit dat een ouder mogelijk over een gering inkomen beschikt, behoudt deze ouder voor zijn kind een zorgplicht. Ten aanzien van het beroep van de vader op artikel 11 van Pro het Haags Alimentatieverdrag 1973 merkt de moeder op dat, voor zover de vader al in een schuldsaneringstraject terecht zal komen, een alimentatieverplichting van de vader dan zal worden opgeschort.
18. Het hof stelt voorop dat artikel 11 van Pro het Haags Alimentatieverdrag 1973 de waarborg bevat dat, zelfs indien de van toepassing zijnde wet anders bepaalt, bij de bepaling van het bedrag van de uitkering tot onderhoud rekening dient te worden gehouden met de draagkracht van de onderhoudsplichtige.
19. Het hof is gebleken dat op grond van de Act 1991 de verschuldigde alimentatiebedragen zijn gefixeerd; de hoogte van de kinderalimentatie wordt berekend aan de hand van vastgestelde “rates”. Hoewel deze “rates” zijn gekoppeld aan het inkomen van de onderhoudsplichtige, blijven de lasten van de onderhoudsplichtige geheel buiten beschouwing.
20. Aangezien het Engelse recht aldus geen rekening houdt met de draagkracht van de onderhoudsplichtige en deze wijze van bepaling van kinderalimentatie niet de zekerheid geeft dat een op te leggen bijdrage de middelen van de onderhoudsplichtige niet zal overstijgen, zal het hof voor de bepaling van de hoogte van de kinderalimentatie bezien of de middelen van de vader er aan in de weg staan dat de aan de vader opgelegde onderhoudsbijdrage in stand blijft.
21. Naar het oordeel van het hof dient dan te worden bezien, of de aan de vader ter beschikking staande middelen, na aftrek van de kinderalimentatie en na aftrek voorts van hetgeen hij zelf nodig heeft om te voorzien in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan, daartoe ontoereikend zijn.
22. Uit het door de vader bij brief van 23 maart 2011 overgelegde - door de moeder niet betwiste - schuldenoverzicht is het hof gebleken dat de vader een schuldenlast heeft van in totaal circa € 67.750,--, waaronder een restschuld vanwege de hypothecaire lening die aan partijen is verstrekt ter financiering van de voormalige echtelijke woning, na de verkoop daarvan. De vader heeft een netto IOAW-uitkering van € 857,72 per maand exclusief vakantietoeslag. Zijn huur bedraagt € 396,--, voor welke huur hij een huurtoeslag ontvangt van € 167,-- per maand. De premie voor de basisverzekering ziektekosten bedraagt € 101,-- per maand. De vader ontvangt een zorgtoeslag van € 62,-- per maand. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vader niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn levensonderhoud te voorzien en dat hij als gevolg van zijn inkomen en lasten zakt beneden het niveau van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm indien door hem kinderalimentatie zal worden betaald.
23. Uit het vorenstaande volgt dat de vader geen draagkracht heeft om een bijdrage ten behoeve van de minderjarigen te voldoen.
24. Wat partijen verder over en weer nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.
25. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het inleidend verzoek van de moeder tot het vaststellen van kinderalimentatie alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Labohm en Breederveld, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2011.