ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6860

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
001165-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Klein Breteler
  • Bakker
  • Van Walderveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a SvArt. 591 SvArt. 89 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek forfaitaire vergoeding kosten rechtsbijstand hoger beroep

Verzoeker heeft bij de rechtbank Middelburg een vergoeding van EUR 190,- gevorderd voor de dagen in verzekering doorgebracht in zijn strafzaak. De rechtbank kende een vergoeding toe van EUR 105,-. Tegen deze beslissing stelde verzoeker hoger beroep in bij het gerechtshof 's-Gravenhage.

Het hof behandelde het hoger beroep in raadkamer, waarbij de advocaat-generaal werd gehoord, maar verzoeker en zijn advocaat verschenen niet. Vervolgens diende de advocaat van verzoeker een verzoek in op grond van artikel 591a Sv tot toekenning van een forfaitaire vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

Het hof oordeelde dat dit verzoek een nieuw verzoek is dat door verzoeker zelf moet worden ingediend of waarvoor verzoeker in raadkamer moet verschijnen om instemming te verklaren. Omdat het verzoek alleen door de advocaat was ondertekend en verzoeker niet verscheen, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het verzoek om forfaitaire vergoeding kosten rechtsbijstand in hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

nummer 001165-10
datum uitspraak 19 mei 2011
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
raadkamer
BESCHIKKING
gegeven op het schriftelijk verzoek, op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingediend namens:
[betrokkene],
geboren op [dag] 1977 te [plaats],
in deze zaak domicilie kiezende aan het kantooradres
van zijn advocaat mr. M.C. van der Want aan de Houtkade 7 te Middelburg.
Procesgang
Verzoeker heeft bij een op 23 maart 2010 ter griffie van de rechtbank Middelburg ingekomen verzoekschrift gevraagd hem op de voet van artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering een vergoeding toe te kennen van EUR 190,- voor de dagen die hij in zijn strafzaak in verzekering heeft doorgebracht.
De rechtbank Middelburg heeft bij beschikking van 8 juni 2010 aan verzoeker een vergoeding toegekend van een bedrag van EUR 105,-.
Namens verzoeker is op 9 juni 2010 hoger beroep tegen die beslissing ingesteld.
Het hof heeft dit hoger beroep op 28 april 2011 in raadkamer behandeld. In raadkamer is gehoord de advocaat-generaal mr. Plas.
De verzoeker en diens advocaat zijn niet in raadkamer verschenen.
Bij faxbericht van 26 april 2011 is namens verzoeker op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Straf-vordering verzocht om de forfaitaire vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling in hoger beroep van het verzoekschrift ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Ontvankelijkheid van het verzoek
Bij faxbericht van 26 april 2011 is bij dit gerechtshof een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering binnengekomen, strekkende tot toekenning aan verzoeker van een forfaitaire vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling in hoger beroep van het verzoekschrift ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Dit verzoek is alleen door mr. Van Der Want ondertekend.
Ten aanzien van dat verzoek stelt het hof vast dat de kosten van rechtsbijstand waarvan vergoeding wordt verzocht eerst bij gelegenheid van de behandeling in hoger beroep van het verzoek ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering aan de orde kunnen komen.
Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee, dat het onderhavige verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering moet worden aangemerkt als een nieuw verzoek.
Ingevolge artikel 591a, lid 4, juncto artikel 591, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering dient een verzoek als het onderhavige door verzoeker te worden ingediend. Hiervan blijkt door ondertekening van het verzoekschrift door verzoeker of doordat verzoeker, in het geval hij het verzoek niet heeft ondertekend, in raadkamer verschijnt en verklaart in te stemmen met het verzoek. Het Wetboek van Strafvordering geeft geen regeling voor indiening van een verzoekschrift als het onderhavige door een (gemachtigde) advocaat.
Nu het onderhavige verzoek alleen door de advocaat van verzoeker, mr. M.C. van der Want, is ondertekend en verzoeker niet in raadkamer is verschenen om dit verzuim te herstellen, dient het verzoek reeds om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Beslissing
Het hof:
Verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door mr. Klein Breteler, voorzitter, mrs. Bakker en Van Walderveen, leden, in bijzijn van mr. Mulder, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2011.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.