ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1641
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Lückers
- Labohm
- Kamminga
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen machtiging gesloten plaatsing minderjarige
De vader kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank die de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige kind verlengde en machtiging gaf voor gesloten plaatsing van 18 februari 2011 tot 15 juni 2011. De vader richtte zijn beroep uitsluitend tegen de machtiging tot gesloten plaatsing.
Het hof oordeelde dat de termijn van de machtiging gesloten plaatsing inmiddels was verstreken en dat de vader geen belang had bij het hoger beroep, omdat hij geen gronden had aangevoerd die tot beëindiging van de ondertoezichtstelling konden leiden. Tevens was het beroep te laat ingesteld, waardoor een inhoudelijke behandeling niet mogelijk was.
Het hof verwees naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 5) en een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het spoedigheidsvereiste, maar concludeerde dat de vader geen slachtoffer was van de gesloten plaatsing en daarom geen actie tot schadevergoeding kon instellen. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens verstreken termijn en gebrek aan belang.