ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1916
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens gebrek aan bewijs medeplichtigheid aan moord en lijkverberging
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplichtigheid aan de moord op het slachtoffer en het verbergen van het lichaam. De tenlastelegging omvatte onder meer het verschaffen van middelen, het faciliteren van afspraken en het programmeren van telefoons voor de daders.
Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat de verdachte op de hoogte was van het voornemen tot moord of dat zij bewust het aanmerkelijke risico had aanvaard om daaraan bij te dragen. Diverse verklaringen van medeplegers wezen uit dat niemand de verdachte expliciet had geïnformeerd over de plannen.
Hoewel enkele gedragingen van de verdachte, zoals het aanreiken van een kaart en telefoongesprekken, werden vastgesteld, achtte het hof deze niet voldoende voor medeplichtigheid. Ook het programmeren van telefoons kon niet met zekerheid aan de verdachte worden toegerekend met het oog op de moord of het verbergen van het lichaam.
De verdachte werd daarom vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de verdachte werd vrijgesproken. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak de verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van medeplichtigheid aan moord en lijkverberging.