ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2375
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voldoende tegenbewijs tegen dwingende bewijskracht geldleningsovereenkomst
In deze civiele zaak stond centraal of de vennootschap onder firma (v.o.f.) een geldlening van €3.900,- had ontvangen en of de vennoot hoofdelijk aansprakelijk was voor terugbetaling. De appellant stelde dat hij de lening aan de v.o.f. had verstrekt en dat de overeenkomst rechtsgeldig was ondertekend door de andere vennoot namens de v.o.f.
De kantonrechter wees de vordering af omdat niet was komen vast te staan dat de andere vennoot bevoegd was de lening aan te gaan of dat de lening aan het doel van de v.o.f. was bevorderlijk. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat hoewel de akte van geldlening dwingende bewijskracht heeft, de geïntimeerde voldoende tegenbewijs had geleverd.
Het hof vond de verklaringen van de appellant en de getuigen onvoldoende overtuigend. Er waren geen kwitanties of boekhoudkundige verantwoording van de lening, en de financiële situatie van de v.o.f. was niet zodanig dat de lening noodzakelijk was. Ook de stelling dat de lening was gebruikt voor levensonderhoud of salarissen werd gemotiveerd betwist.
Daarom kon niet worden aangenomen dat de lening was verstrekt en was er geen grond voor terugbetaling door de vennoot. De vordering werd afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de geldlening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de lening.