ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2391
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Kamminga
- Mink
- De Haan-Boerdijk
- Rechtspraak.nl
Uitleg testament over benoeming stichting als erfgenaam na ontbinding eerdere stichting
De zaak betreft de uitleg van een testament uit 1987 waarin een stichting ([S 1]) als enige erfgenaam is benoemd. Deze stichting is in 1996 ontbonden wegens gebrek aan baten. In 2003 is een nieuwe stichting ([X]) opgericht met een vergelijkbaar doel, die zich als rechtsopvolger van [S 1] beschouwt en zichzelf als erfgenaam wil laten erkennen.
De appellant ([X]) vordert dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en verklaart dat zij als enige erfgenaam geldt. Zij baseert dit op de maatschappelijke continuïteit en het ideële doel van beide stichtingen, en verwijst naar artikel 4:46 BW Pro over de uitleg van testamenten en artikel 6:258 BW Pro over onvoorziene omstandigheden.
De familieleden betwisten dit en stellen dat het testament duidelijk de ontbonden stichting benoemt, dat er geen rechtsopvolging is vanwege de tijdsperiode tussen ontbinding en oprichting, en dat het beroep op onvoorziene omstandigheden niet van toepassing is op testamenten.
Het hof oordeelt dat het testament duidelijk en ondubbelzinnig is en dat de erflater niet kon voorzien dat [S 1] zou worden ontbonden en [X] zou worden opgericht. Posterieure gebeurtenissen kunnen niet de wil van de erflater wijzigen. Het beroep op onvoorziene omstandigheden faalt omdat een testament geen overeenkomst is. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt [X] in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep van de stichting af.