ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2470
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Kamminga
- Van Dijk
- Rechtspraak.nl
Waardering onroerende goederen agrarisch bedrijf bij opvolging en verdeling nalatenschap
In deze zaak stond de waardering van onroerende goederen van een agrarisch bedrijf centraal, waarbij het doel was om vee in te scharen en kalveren op te fokken tot mestkoeien. Het geschil betrof de vraag of de waardering moest plaatsvinden op verkoopwaarde of op agrarische waarde, mede in verband met het recht van opvolging van geïntimeerde 1.
Het hof oordeelde dat vóór 1998 een recht van opvolging door geïntimeerde 1 was ontstaan, die al vele jaren met zijn vader samenwerkte en voor wie het bedrijf de enige bron van inkomsten was. Dit recht van opvolging moest worden betrokken bij de waardering. De criteria van de Pachtwet waren niet van toepassing op de beoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf.
Op basis van de aangeleverde cijfers bleek het bedrijf in 1998 levensvatbaar en lonend te zijn, ondanks de kleinschalige bedrijfsvoering. Het belang van geïntimeerde 1 om met het bedrijf in zijn levensonderhoud te voorzien, woog zwaarder dan het belang van de overige deelgenoten bij een hogere waardering. Daarom moest de landbouwwaarde worden gehanteerd, ook voor de legitimaire massa.
De grieven van appellant die hiertegen waren gericht, werden verworpen. Ook de verdeling van de kosten van de deskundigen werd bevestigd, waarbij iedere partij haar eigen proceskosten draagt. Het hof bekrachtigde de eerdere vonnissen en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst de grieven van appellant af, waarbij waardering op landbouwwaarde wordt gehanteerd.