ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2528
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- B. van Walderveen
- Th. Groeneveld
- J.V. van Noorle Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat pensioenregeling directeur-grootaandeelhouder met gehuwden-AOW-franchise niet voldoet aan Wet LB 1964
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had een pensioenregeling voor haar directeur-grootaandeelhouder opgesteld waarbij de AOW-franchise voor gehuwden werd toegepast in plaats van die voor ongehuwden. De Inspecteur stelde dat deze regeling niet kwalificeert als pensioenregeling in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Na afwijzing van het bezwaar door de Inspecteur en de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of de gehuwden-AOW-franchise in de regeling in strijd is met de wettelijke eis dat pensioenregelingen in eigen beheer moeten aansluiten bij de gangbare AOW-franchise voor ongehuwden zoals vastgelegd in artikel 10c van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBL).
Belanghebbende voerde aan dat het Besluit niet meer gangbaar is omdat veel collectieve pensioenfondsen een lagere AOW-franchise hanteren en dat het Besluit daarom onverbindend zou moeten zijn. Het Hof oordeelde echter dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd dat het Besluit niet meer binnen de wettelijke delegatiebepaling past en dat het uitgangspunt van het Besluit, namelijk dat pensioenopbouw in eigen beheer niet ruimer mag zijn dan in collectieve regelingen, nog steeds geldt.
Het Hof bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en de Inspecteur dat de regeling niet voldoet aan de wettelijke eisen en wees het hoger beroep af. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur werd niet behandeld omdat het belang daarvan was komen te vervallen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de pensioenregeling met gehuwden-AOW-franchise niet voldoet aan de Wet LB 1964 en wijst het hoger beroep af.