ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2483

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
22-001956-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 5 OpiumwetArt. 2 onder A OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b Sr
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen uitvoer van heroïne en cocaïne vanuit Nederland naar Frankrijk

De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet, door op of omstreeks 3 juni 2010 in Rotterdam ruim 1,5 kilo heroïne en bijna 90 gram cocaïne vanuit Nederland naar Frankrijk te vervoeren. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen deze drugs in een personenauto met Nederlands kenteken richting Frankrijk heeft vervoerd, terwijl een andere auto met Duits kenteken achter deze auto aanreed.

In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waartegen hoger beroep werd ingesteld. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het hof verklaarde het primair tenlastegelegde bewezen en sprak verdachte vrij van hetgeen meer of anders was tenlastegelegd.

Bij de strafmotivering nam het hof de ernst van het feit en de maatschappelijke onaanvaardbaarheid van de handel in harddrugs in aanmerking. Tegelijkertijd hield het hof rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en het feit dat hij een first offender was. Daarom werd een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend geacht. Uiteindelijk werd de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001956-11
Parketnummer: 10-700216-10
Datum uitspraak: 14 september 2011
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 1991, [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 31 augustus 2011.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 03 juni 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, ongeveer 9968,70 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 89,6 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
immers is/zijn/heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk
- vanuit Frankrijk in een (personen)auto (met Duits kenteken) naar Nederland gereisd en/of (vervolgens) die (personen)auto (met Duits kenteken) in Rotterdam geparkeerd, en/of
- (vervolgens) in Rotterdam die cocaïne en/of heroïne aangeschaft, en/of
- (vervolgens) die cocaïne en/of heroïne in een (personen)auto (met Nederlands kenteken) richting Frankrijk, althans Venlo, laten vervoeren en/of (vervolgens) met die (personen)auto (met Duits kenteken) achter voornoemde (personen)auto (met Nederlands kenteken) is aangereden;
subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 03 juni 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 9968,70 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 89,6 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de gevangenneming van de verdachte bevolen.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 03 juni 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, 1523,90 gram van een materiaal bevattende heroïne en 89,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk die cocaïne en heroïne in een personenauto met Nederlands kenteken richting Frankrijk vervoerd en met een personenauto met Duits kenteken achter voornoemde personenauto met Nederlands kenteken aangereden.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer – in de zin van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet - van ruim anderhalve kilo heroïne en bijna 90 gram cocaïne vanuit Nederland richting Frankrijk. Indien deze harddrugs niet zouden zijn onderschept, zouden de verdachte en zijn mededaders doelbewust een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het op de – buitenlandse - markt brengen daarvan. Algemeen bekend is dat de handel in en het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormen en dat het gebruik van zulke middelen de criminaliteit bevordert. Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is maatschappelijk gezien dan ook onaanvaardbaar en rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Anderzijds houdt het hof bij het bepalen van de duur van de straf in matigende zin rekening met de nog jeugdige leeftijd van de verdachte en met het gegeven dat hij – voor zover uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken – first offender is.
Het hof is - mede vanuit een oogpunt van speciale preventie - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. D.J.C. van den Broek,
mr. L.A.J.M. van Dijk en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 september 2011.