ECLI:NL:GHSGR:2011:BT8853
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid hypotheekrente na verhoging hypotheekschuld in 2005
Belanghebbende, eigenaar en bewoner van een woning te [Z], verhoogde in 2005 zijn hypotheekschuld met €21.809. Hij vorderde dat dit bedrag als eigenwoningschuld zou worden aangemerkt en dat de daaraan verbonden hypotheekrente van €4.140 aftrekbaar zou zijn. De Inspecteur verwierp dit, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof de uitspraak van de rechtbank. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de verhoging van de hypotheekschuld was gebruikt voor verbetering of onderhoud van de woning, zoals vereist volgens artikel 3.119a, derde lid, en artikel 3.120 van de Wet IB 2001. Ook de stelling dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden, werd verworpen omdat belanghebbende dit niet met feiten had onderbouwd.
De rechtbank en het hof wezen erop dat de bewijslast voor de aftrek van hypotheekrente bij de belastingplichtige ligt en dat schriftelijke bescheiden noodzakelijk zijn om betalingen voor woningverbetering te staven. Aangezien belanghebbende deze niet had overgelegd, kon de rente niet als aftrekbare kosten worden erkend. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de verhoging van de hypotheekschuld in 2005 niet als eigenwoningschuld geldt en de rente niet aftrekbaar is.