ECLI:NL:GHSGR:2011:BU1573
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van den Wildenberg
- Kamminga
- Van der Kuijl
- Rechtspraak.nl
Bevestiging DNA-onderzoek ter vaststelling gerechtelijk vaderschap minderjarige
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die een DNA-onderzoek bevolen heeft ter vaststelling van het gerechtelijk vaderschap van de man over de minderjarige. De rechtbank had dit onderzoek bevolen om duidelijkheid te verkrijgen over het vaderschap. De bijzondere curator en de man hebben verweer gevoerd tegen het beroep van de moeder.
De moeder betoogt dat het DNA-onderzoek niet in het belang van de minderjarige is en dat privacy van zowel de moeder als de minderjarige moet worden beschermd. Zij vreest dat de man het onderzoek wil gebruiken om erkenning en ouderlijk gezag te verkrijgen. De bijzondere curator benadrukt het belang van de minderjarige om te weten van wie zij afstamt en wijst op de uithuisplaatsing van de minderjarige als reden om het vaderschap vast te stellen.
De man stelt dat het DNA-onderzoek noodzakelijk is en dat het in het belang van de minderjarige is, mede vanwege financiële aspecten en betrokkenheid bij de ondertoezichtstelling. Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht het DNA-onderzoek heeft bevolen en bevestigt de beschikking. Het verzoek van de man tot proceskostenveroordeling wordt afgewezen en de kosten worden gecompenseerd volgens de gebruikelijke regeling in familiezaken.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het bevel tot DNA-onderzoek ter vaststelling van het gerechtelijk vaderschap en wijst het hoger beroep van de moeder af.